May 272015
 

150527

Als ik vijf jaar geleden had verteld dat ik onderweg naar mijn werk door een drone gefilmd was, zou dat een goeie reden zijn geweest om je behoorlijk ongerust te maken over mijn psychische gezondheid. Anno 2015 lijk ik de enige te zijn die verbaasd opkijkt als ik het ding onderweg naar mijn werk schuin boven mijn hoofd hoor zoemen. Dat ik jarenlang de wereld om me heen observeerde via een denkbeeldige camera op mijn rechterschouder klinkt nu als iets heel gewoons, behalve dat denkbeeldige dan. In werkelijkheid zie ik tegenwoordig om de haverklap mensen via action cams en smartphones op selfiesticks hun omgeving bekijken.

De denkbeeldige camera op mijn rechterschouder herinner ik me tot op de dag van vandaag maar al te goed. Aan de drone denk ik pas weer als K. en ik elkaar ’s avonds over onze dag vertellen.

“Ik werd vanochtend gefilmd door een drone”, zeg ik.
“O ja?” reageert K. “Ik zag een konijn de weg oversteken.”
In de stad? Yeah, right. Een konijn met een bril zeker?
“Neuh, dat niet”, zegt K. “Maar er zitten daar wel meer konijnen.”

Net zag ik op internet dat je speciale spullen kunt kopen om je hond van zijn eigen action cam te voorzien. Ik denk dat het binnenkort helemaal niet raar meer is om met je huisdier naar de opticien te gaan.

Zullen we dan ook maar normaal gaan doen over psychische stoornissen?

May 262015
 

150526Als iets mij kenmerkt, dan is het wel dat ik altijd maar dóórga. Vrijwel nooit over de grenzen van anderen heen, hoop ik. Vaak overschrijd ik wel die van mezelf. Meestal omdat het de beste manier is om te bereiken wat ik wil. Soms tegen beter weten in.

En dus loop ik al een aantal weken met een pijnlijke voet rond en bedenk ik al net zo lang dat ik me wat sporten betreft misschien even een beetje moet ontzien. Het zou zuur zijn als die voet me straks, op vakantie, dwars zou zitten. En toch wist ik weet-ik-hoeveel redenen te verzinnen om niet voor een week, misschien twee weken rustiger aan te doen. Vooral toen het ook zonder rustiger aan te doen een stuk beter begon te gaan.

Totdat ik zondagavond, na een fijne wandeltocht, wel erg chagrijnig werd omdat mijn voet toch weer pijn deed.

“Ik denk dat de bootcamptraining dinsdag maar moet overslaan”, mompelde ik tegen K.
Toch had ik nog ruim een dag nodig om mezelf ervan te overtuigen dat dit een verstandig idee is. En dat het niet het eeuwige einde van alles betekent. Want zo zit ik dan ook weer in elkaar. Een keer niet trainen staat zo ongeveer gelijk aan nooit meer trainen.

En dat terwijl ik eigenlijk al niet wilde gaan bootcampen. Naar een bezoek aan de boekwinkel van de Vlaamse schrijver Griet op de Beeck wilde ik, want haar boek Kom hier dat ik u kus vond ik zó mooi. Alleen twijfelde ik te lang over het al dan niet laten schieten van de bootcamptraining… en waren alle plaatsen al uitverkocht.

En dus nu geen bootcamptraining én geen Griet op de Beeck.

Dan maar een citaat uit Kom hier dat ik u kus.
“Wat ik denk: ook dat wat je níet bent, bepaalt je, zoals datgene wat je bent kwijtgeraakt.”

May 212015
 

150521“Herkende je wandelcoach je wel?” plaagt K. me als ik thuiskom van de informatiebijeenkomst. Heel raar is K.’s vraag niet: ik zag mijn wandelcoach 5 jaar geleden voor het laatst. Daarna heeft ze talloze andere mensen gecoacht – waarom zou ze mij onthouden hebben?

“De kapper vroeg waarom je niet meer komt”, zei iemand maandag tegen me. Een tijdje hadden we dezelfde kapper, maar nu kom ik er al een half jaar niet meer. Ik ben stomverbaasd dat mijn wegblijven hem is opgevallen.
Dezelfde dag ben ik ‘s middags op de fiets zo in gedachten verzonken dat ik een collega van mijn vorige werkplek straal voorbij fiets. Eenmaal thuis groet ik haar alsnog via een Whatsappje.
“Ik had net vanochtend bedacht om jou eens te appen om te horen hoe je nieuwe functie bevalt!” schrijft ze terug. Huh? Dus iemand denkt weleens zomaar aan mij?
“Hé Marieke!” hoor ik als ik in een drukke winkel rondscharrel. Mijn primaire reactie is om níet op te kijken. Ik weet wel dat ik niet onzichtbaar ben, maar dat ik dus word gezien is geen automatische vervolggedachte. Als ik toch opkijk, zie ik een oud-collega vrolijk naar me lachen. Dat zij na 4 jaar (of is het ondertussen na 6 jaar?) nog weet wie ik ben!

Het zijn pijnlijke confrontaties met mezelf.

Mijn wandelcoach en ik zijn elkaar via Twitter blijven volgen. Maar het is niet daarom dat ik me geen seconde heb afgevraagd of ze me nog zou herkennen. Dat mijn collega’s en mijn kapper me hoorden en zagen, weet ik heus wel. Dat mijn wandelcoach me hoorde en zag, voelde ik – ik denk dat dat het verschil is. Maar helemaal snappen doe ik het niet.

The gap between thinking and feeling. De trui waar die tekst op staat, zit niet lekker meer. Maar waar is het nog altijd.

May 162015
 

150516

“Hennenknieën met spring-over-d’n-heg”, zei mijn moeder als je haar vroeg wat we aten. Ze haatte die vraag – met wat ze kookte, mocht je je niet bemoeien. Ze had ook een hekel aan mijn vaders “Hoe gaat het?” als hij uit zijn werk thuiskwam. Ik herinner het me als een dagelijks terugkerend zeer gespannen moment – nog hou ik mijn adem in als ik er nu aan denk.

Zelf vragen stellen deed mijn moeder ook niet. Nooit vroeg ze hoe mijn dag op school was geweest, mijn vioolles, mijn hockeytraining, mijn paardrijles, hoe mijn proefwerken of examens waren gegaan.
“Je Grote Broer wil niet dat ik ernaar vraag”, verklaarde ze ooit. “Dus.”

Dus begon ik het maar op te schrijven. Ik bestookte mijn moeder met briefjes. Die ze interpreteerde als verzinsels, als pogingen om schrijver te worden. En zo leerde ik niet alleen af om dingen uit te spreken (er moeten hele dagen voorbij zijn gegaan waarop ik alleen tegen mijn cavia of mijn kat sprak), ook verleerde ik het om vragen te stellen.

Tel daar bij op dat ik op de basisschool altijd de rol kreeg van een soort klassen-oudste bij wie de andere kinderen terecht konden als ze vragen hadden, en die zelf geacht werd alles al te weten en te kunnen, en dat ik zodra ik de middelbare school binnenstapte gegijzeld werd door een dodelijke verlegenheid waar ik nooit meer helemaal vanaf gekomen ben – en je snapt dat het stellen van vragen een no go area werd.

En dat terwijl ik nieuwsgierig ben. Dingen wil weten. Graag contact maak. Me wil verbinden met anderen. En de kunst van het vragen stellen nu hard nodig heb om me in te werken in mijn nieuwe functie. Meer en meer heb ik er last van dat het zo onmogelijk lijkt om een zinnen eindigend op een vraagteken te formuleren.

En dus…: tips, anyone?


  • Die hennenknieën kunnen ook hertenknieën zijn geweest. Als kind kon ik het al nooit goed onthouden. En uiteraard durfde ik niet te vragen wat ze nou eigenlijk zei… 😉
  • #dtv staat voor durf te vragen. Wat dan weer een heel andere variant van de kunst van het vragen stellen is.
May 152015
 

150515

De foto hierboven zette ik vanochtend op Facebook en Twitter. En daarbij schreef ik: 3x raden wat ik straks na het ontbijt als eerst doe (hint: het begint met een o en eindigt op pruimen).

Gezien de reacties geloof ik dat het in diverse huishoudens tot hilariteit leidde. Dat geldt hier als keurig netjes opgeruimd, was zo ongeveer het antwoord dat ik terugkreeg.
In mijn verdediging meldde ik dat een deel van de rommel niet op de foto stond: ook op de grond en op de bank lagen nog verschillende stapels.

Wat ook niet op de foto stond, was het effect van al die stapels op mij.

Al die stapels roepen om het hardst om aandacht: een grote herrie is het daardoor in mijn hoofd. Mijn ogen worden voortdurend van het ene naar het andere stapeltje gezogen met als gevolg een gevoel van duizeligheid – alsof ik in hoog tempo van een smalle, eindeloos lange wenteltrap afdaal. Mijn gedachten dwarrelen door elkaar heen en dat leidt tot een onrustig gevoel gevoel in mijn buik en in mijn spieren. Alsof ik overal jeuk heb.
Ik verlies mezelf in al die stapels. Ze versnipperen me.
Die stapels vertegenwoordigen mijn chaos. De chaos die altijd op de loer ligt, klaar om toe te slaan.

Als ik niks aan de stapels doe, kan ik niet denken. Als ik niks aan de stapels doe, zou ik kunnen gaan slaan. En schoppen. En schreeuwen. Als ik niks aan de stapels doe, zou ik alles slopen. Als ik niks aan de stapels doe, heb ik niks onder controle. Als ik niks aan de stapels doe, blijf ik steken, kom ik niet vooruit.

Als ik niks aan de stapels doe, kan ik niet ademen. Als ik niks aan de stapels doe, heb ik geen ruimte om te zijn.

De stapels zijn mijn borderline.