Jun 012015
 

150601

Even leek het erop dat er maar liefst drie gegadigden waren om de Haagse Royal Ten mee samen te lopen – en van die drie bleven er nul over.
“Je hoeft niet te gaan als je niet wil”, zei K. toen ik zondagochtend enigszins bedrukt mijn yoghurt met fruit naar binnen lepelde.
“15 euro kostte het”, antwoordde ik.
“Tja, jammer dan. Als je geen zin hebt, hoef je echt niet te gaan. Dan loop je thuis maar een rondje.”

Geen zin en in mijn eentje niet goed durven: ze lijken erg op elkaar, die twee. Of liever gezegd: niet goed durven doet zich vaak voor als geen zin, als hij bij mij aanklopt. Ik moet heel goed opletten om door zijn vermomming heen te kijken.

Geen zin of eigenlijk niet durven, wat maakt het uit? In beide gevallen blijf je toch gewoon lekker thuis, kun je denken.
Maar zo makkelijk kom ik niet van niet durven af. Want blijf ik er één keer voor thuis, dan blijf ik er een tweede keer veel makkelijker voor thuis, en een derde keer is wel gaan al niet eens meer een overweging. Niet durven, angst, is bij mij een klein, aaibaar monstertje dat binnen de kortste keren buitenproportioneel groot groeit als ik hem ook maar een millimetertje ruimte geef.

En dus ging ik wel naar Den Haag.
Waarbij tegen de angst hielp dat de zin om te rennen sowieso komt zodra ik mijn hardloopkloffie aan heb. En dat ik weet dat ik me tijdens zo’n evenement altijd wel vermaak met het kijken naar de andere deelnemers. En dat ik ook weet dat ik me oké voel als ik eenmaal ren. En dat ik nieuwsgierig was naar de route.

Alleen maar zo ontspannen mogelijk lopen, dat is alles wat je gaat doen, prentte ik mezelf in.
Ik liep een PR.


Can we change a rule, a nose, a person
Can we change a nation
Can we change a fool
Can we change the weather
Can we keep it cool
Make love, make life, make a star
Can we end a war
Can we really ever change
Can we ever really ever change
Can we really really ever change

Yes, we can
Yes, we can
Yes, we can

May 272015
 

150527

Als ik vijf jaar geleden had verteld dat ik onderweg naar mijn werk door een drone gefilmd was, zou dat een goeie reden zijn geweest om je behoorlijk ongerust te maken over mijn psychische gezondheid. Anno 2015 lijk ik de enige te zijn die verbaasd opkijkt als ik het ding onderweg naar mijn werk schuin boven mijn hoofd hoor zoemen. Dat ik jarenlang de wereld om me heen observeerde via een denkbeeldige camera op mijn rechterschouder klinkt nu als iets heel gewoons, behalve dat denkbeeldige dan. In werkelijkheid zie ik tegenwoordig om de haverklap mensen via action cams en smartphones op selfiesticks hun omgeving bekijken.

De denkbeeldige camera op mijn rechterschouder herinner ik me tot op de dag van vandaag maar al te goed. Aan de drone denk ik pas weer als K. en ik elkaar ’s avonds over onze dag vertellen.

“Ik werd vanochtend gefilmd door een drone”, zeg ik.
“O ja?” reageert K. “Ik zag een konijn de weg oversteken.”
In de stad? Yeah, right. Een konijn met een bril zeker?
“Neuh, dat niet”, zegt K. “Maar er zitten daar wel meer konijnen.”

Net zag ik op internet dat je speciale spullen kunt kopen om je hond van zijn eigen action cam te voorzien. Ik denk dat het binnenkort helemaal niet raar meer is om met je huisdier naar de opticien te gaan.

Zullen we dan ook maar normaal gaan doen over psychische stoornissen?

May 262015
 

150526Als iets mij kenmerkt, dan is het wel dat ik altijd maar dóórga. Vrijwel nooit over de grenzen van anderen heen, hoop ik. Vaak overschrijd ik wel die van mezelf. Meestal omdat het de beste manier is om te bereiken wat ik wil. Soms tegen beter weten in.

En dus loop ik al een aantal weken met een pijnlijke voet rond en bedenk ik al net zo lang dat ik me wat sporten betreft misschien even een beetje moet ontzien. Het zou zuur zijn als die voet me straks, op vakantie, dwars zou zitten. En toch wist ik weet-ik-hoeveel redenen te verzinnen om niet voor een week, misschien twee weken rustiger aan te doen. Vooral toen het ook zonder rustiger aan te doen een stuk beter begon te gaan.

Totdat ik zondagavond, na een fijne wandeltocht, wel erg chagrijnig werd omdat mijn voet toch weer pijn deed.

“Ik denk dat de bootcamptraining dinsdag maar moet overslaan”, mompelde ik tegen K.
Toch had ik nog ruim een dag nodig om mezelf ervan te overtuigen dat dit een verstandig idee is. En dat het niet het eeuwige einde van alles betekent. Want zo zit ik dan ook weer in elkaar. Een keer niet trainen staat zo ongeveer gelijk aan nooit meer trainen.

En dat terwijl ik eigenlijk al niet wilde gaan bootcampen. Naar een bezoek aan de boekwinkel van de Vlaamse schrijver Griet op de Beeck wilde ik, want haar boek Kom hier dat ik u kus vond ik zó mooi. Alleen twijfelde ik te lang over het al dan niet laten schieten van de bootcamptraining… en waren alle plaatsen al uitverkocht.

En dus nu geen bootcamptraining én geen Griet op de Beeck.

Dan maar een citaat uit Kom hier dat ik u kus.
“Wat ik denk: ook dat wat je níet bent, bepaalt je, zoals datgene wat je bent kwijtgeraakt.”

May 212015
 

150521“Herkende je wandelcoach je wel?” plaagt K. me als ik thuiskom van de informatiebijeenkomst. Heel raar is K.’s vraag niet: ik zag mijn wandelcoach 5 jaar geleden voor het laatst. Daarna heeft ze talloze andere mensen gecoacht – waarom zou ze mij onthouden hebben?

“De kapper vroeg waarom je niet meer komt”, zei iemand maandag tegen me. Een tijdje hadden we dezelfde kapper, maar nu kom ik er al een half jaar niet meer. Ik ben stomverbaasd dat mijn wegblijven hem is opgevallen.
Dezelfde dag ben ik ‘s middags op de fiets zo in gedachten verzonken dat ik een collega van mijn vorige werkplek straal voorbij fiets. Eenmaal thuis groet ik haar alsnog via een Whatsappje.
“Ik had net vanochtend bedacht om jou eens te appen om te horen hoe je nieuwe functie bevalt!” schrijft ze terug. Huh? Dus iemand denkt weleens zomaar aan mij?
“Hé Marieke!” hoor ik als ik in een drukke winkel rondscharrel. Mijn primaire reactie is om níet op te kijken. Ik weet wel dat ik niet onzichtbaar ben, maar dat ik dus word gezien is geen automatische vervolggedachte. Als ik toch opkijk, zie ik een oud-collega vrolijk naar me lachen. Dat zij na 4 jaar (of is het ondertussen na 6 jaar?) nog weet wie ik ben!

Het zijn pijnlijke confrontaties met mezelf.

Mijn wandelcoach en ik zijn elkaar via Twitter blijven volgen. Maar het is niet daarom dat ik me geen seconde heb afgevraagd of ze me nog zou herkennen. Dat mijn collega’s en mijn kapper me hoorden en zagen, weet ik heus wel. Dat mijn wandelcoach me hoorde en zag, voelde ik – ik denk dat dat het verschil is. Maar helemaal snappen doe ik het niet.

The gap between thinking and feeling. De trui waar die tekst op staat, zit niet lekker meer. Maar waar is het nog altijd.

May 162015
 

150516

“Hennenknieën met spring-over-d’n-heg”, zei mijn moeder als je haar vroeg wat we aten. Ze haatte die vraag – met wat ze kookte, mocht je je niet bemoeien. Ze had ook een hekel aan mijn vaders “Hoe gaat het?” als hij uit zijn werk thuiskwam. Ik herinner het me als een dagelijks terugkerend zeer gespannen moment – nog hou ik mijn adem in als ik er nu aan denk.

Zelf vragen stellen deed mijn moeder ook niet. Nooit vroeg ze hoe mijn dag op school was geweest, mijn vioolles, mijn hockeytraining, mijn paardrijles, hoe mijn proefwerken of examens waren gegaan.
“Je Grote Broer wil niet dat ik ernaar vraag”, verklaarde ze ooit. “Dus.”

Dus begon ik het maar op te schrijven. Ik bestookte mijn moeder met briefjes. Die ze interpreteerde als verzinsels, als pogingen om schrijver te worden. En zo leerde ik niet alleen af om dingen uit te spreken (er moeten hele dagen voorbij zijn gegaan waarop ik alleen tegen mijn cavia of mijn kat sprak), ook verleerde ik het om vragen te stellen.

Tel daar bij op dat ik op de basisschool altijd de rol kreeg van een soort klassen-oudste bij wie de andere kinderen terecht konden als ze vragen hadden, en die zelf geacht werd alles al te weten en te kunnen, en dat ik zodra ik de middelbare school binnenstapte gegijzeld werd door een dodelijke verlegenheid waar ik nooit meer helemaal vanaf gekomen ben – en je snapt dat het stellen van vragen een no go area werd.

En dat terwijl ik nieuwsgierig ben. Dingen wil weten. Graag contact maak. Me wil verbinden met anderen. En de kunst van het vragen stellen nu hard nodig heb om me in te werken in mijn nieuwe functie. Meer en meer heb ik er last van dat het zo onmogelijk lijkt om een zinnen eindigend op een vraagteken te formuleren.

En dus…: tips, anyone?


  • Die hennenknieën kunnen ook hertenknieën zijn geweest. Als kind kon ik het al nooit goed onthouden. En uiteraard durfde ik niet te vragen wat ze nou eigenlijk zei… 😉
  • #dtv staat voor durf te vragen. Wat dan weer een heel andere variant van de kunst van het vragen stellen is.