Mar 172015
 

150317

“Ja hoor, geef maar mee!” riep ik enthousiast toen mijn coach vorige week aarzelde of ze me een leerstijlentest zou laten doen. “Testen, ik ben er dol op!”

Maar nadat ik nog geen 20 van de 80 vragen beantwoord heb, schuif ik de vragenlijst geïrriteerd van me af. ‘Ik heb een uitgesproken mening over wat goed en slecht is’, ‘in discussies hou ik ervan recht op mijn doel af te gaan’, ‘ik vind het vervelend als ik werk moet afraffelen om een deadline te halen': ik moet aangeven of ik dat wel of niet vind. En ik weet niet meer wat ik vind.

Ik denk dat ik een doener ben, maar wat als blijkt dat ik een theoreticus ben? Zoals uit een test van het loopbaancentrum kwam dat ik extravert ben terwijl ik mezelf als introvert beschouw? Zoals uit een andere test kwam dat ik graag mensen help, terwijl ik mezelf zie als bepaald niet zorgzaam? Zoals ik het niet makkelijk vind om aan mijn eigen standpunt vast te houden, maar mensen onlangs aangaven dat ze me star vinden? Zoals ik het moeilijk vind om iets voor mezelf te vragen, maar als ik dat toch doe, dat overkomt als dwingend en eisend? Zoals ik mezelf beschouw als iemand met een energievoorraad waarvan altijd de bodem in zicht is, over wie K. zegt: “Jij doet nooit niks hè, bent altijd bezig!” Nog even en uit een test blijkt dat ik niet Marieke ben.

Ik weet niet meer wat mijn karakter is, wat door mijn psychische aandoening bepaald wordt, of vaardigheden misschien per ongeluk overlevingsstrategieën zijn (of andersom) en welke competenties ik in de loop van de jaren heb ontwikkeld. Ik wil het ook niet meer weten. Ik wil er geen labeltjes meer aanhangen. Ik wil alleen nog maar zijn.

Zoals ik ben.

Mar 092015
 

150309

838 mailtjes heb ik in m’n inbox, vertelt m’n notebook me. Niet allemaal ongelezen, gelukkig: dat zijn er maar 23. In de inbox van mijn website zitten 569 mailtjes (slechts 5 ongelezen) en in de inbox van het gezamenlijke mailadres van K. en mij 150 berichten (0 niet gelezen). En dan heb ik ook nog een postbus van gmail met daarin 856 mails – allemaal gelezen.

Na een jaar erop zwoegen heb ik op werk mijn mailbox eindelijk een klein beetje onder controle. Nieuwsbrieven komen in een apart vak en daar scrol ik een keer per week doorheen, cc’tjes laat ik ook apart bezorgen en ook daar werp ik hooguit één keer per week een blik op. Wie me iets te vragen heeft, moet dat maar rechtstreeks doen. En verder kan ik heel goed weggooien.

Met weggooien heb ik thuis ook geen moeite. Allerlei papieren documenten kan ik lange tijd bewaren en dan gaan ze toch rücksichtslos de papierbak in. Hetzelfde geldt voor kranten en papieren nieuwsbrieven. Kaartjes en persoonlijke brieven gaan niet weg. Die verdwijnen uiteindelijk, via tussenstops op verschillende stapeltjes op verschillende plekken in huis, in een doos op zolder.
Maar gaat het om emailtjes, thuis, in mijn persoonlijke inboxen, dan kan ik het niet, weggooien.

Ondertussen vliegt de enorme hoeveelheid mails me aan. Ik ben het overzicht totaal kwijt. Een gevoel van verlamming overvalt me als ik mijn inboxen open. Steeds vaker vergeet ik te reageren.
Daar moet dus de bezem doorheen.

En dat vind ik doodeng.

Alsof wat erin geschreven is niet meer waar is als ik de berichten verwijder.
Alsof ik met al die mails ook het contact met de afzenders ervan weggooi.
Alsof ik alle banden doorsnijd.
Alsof niemand nog van me zal houden.

Ik weet heus wel dat het rare onzin is. Vertroebeling van mijn gedachten door borderlinerige verlatingsangst.
Maar toch.

*delete*


Love me, love me, love me too
Love me, love me, love me too
Cause I sure as hell love you

Mar 082015
 

150308

“Buigrietjes”, mompel ik terwijl ik er twee uit de verpakking schud.
“Wat?” vraagt K.
“Bui-grietjes”, zeg ik nadrukkelijk articulerend. “Grietjes met buien.”
“Bui-grietjes”, herhaalt K. bedachtzaam. “Dat ben jij eigenlijk wel, een bui-grietje. Hoewel ik daar op het moment weinig van merk.”
“Gelukkig voor jou”, grijns ik.
“Nou, eerder gelukkig voor jóu!” vindt K.
“Ja…”, aarzel ik. “Maar ze wiebelen wel hoor, mijn stemmingen. Alleen probeer ik dat zoveel mogelijk binnenin te houden. En dat is best wel hard werken.”

Op dagen dat ik moe ben, als mijn oren fluiten, mijn hoofd druk is, mijn handen pijn doen, mijn rug kraakt en er geen rust in mijn lijf zit, is het zó verleidelijk om als een buig-rietje te knakken, om tot stilstand te komen en weg te zakken in sombere hangerigheid. Het zou het makkelijkst zijn: toegeven aan alle twijfels, onzekerheden en angsten die zich in de loop van dagen, weken, maanden hebben opgestapeld. Me laten omvallen.

En dat wil ik niet.
Ik. Wil. Dat. Niet.

Binnenin mag ik het allemaal voelen, maar me ernaar gedragen mag ik van mezelf maar tot op zekere hoogte. Stilstand is achteruitgang, stilstand is toegeven aan malende gedachtes in mijn kop, stilstand is ruimte bieden aan hevige emoties.

En dus mag ik me wel oprollen in een hoekje van de bank – en dwing ik me om van de krant van voor tot achter helemaal te lezen. Om af en toe iets te melden op sociale media. Om mijn manuscript-tot-nu-toe kritisch te lezen en te redigeren. Om te praten met K. Om whatsappjes te sturen. Om naar de vogels in de tuin te kijken. Of naar House of Cards op Netflix. En tussendoor dwing ik me soms om even in beweging te komen. Om de hond uit te laten.

En om buigrietjes te pakken.

Mar 062015
 

150306

“Hoe gaat het eigenlijk met jou?” vroeg ik tijdens een zeldzaam rustig moment aan een collega, nadat we wat werkdingen hadden besproken en ik had verteld dat ik een andere baan heb.
“Nou…”, zuchtte ze, “ik ben zó moe. De hele dag gaat het maar door, over zóveel dingen moet ik iets weten, constant moet ik schakelen van het één naar het ander, mijn hoofd zit helemaal vol.”

Onder andere dezelfde vermoeidheid als mijn collega ervaart, deed me verlangen naar ander werk. Al maanden voelt mijn hoofd alsof er aan alle kanten aan getrokken wordt, terwijl er tegelijkertijd voortdurend informatie in gepropt wordt. Net als ik op het ene onderwerp geconcentreerd was, moest ik mijn focus alweer verleggen naar het volgende en nooit is er een moment voor reflectie.

Een afwisselende baan is leuk, deadlines zijn niet erg en hectiek heeft zeker zijn charme, maar er is een grens. Bij mij geven fluitende oren die grens aan – nadat ik, terwijl ik gewoon achter m’n bureau zit te werken, rode vlekken in mijn gezicht en nek heb gekregen, nadat moodswings me van mijn stuk hebben proberen te brengen (wat soms lukt) en na de neiging om in huilen uit te barsten. En dat allemaal terwijl mijn stemming in de basis best goed kan zijn.

Mijn oren beginnen al maanden op de eerste werkdag van de week te fluiten. Rust en stilte heb ik in het weekend nodig. Geen volledige stilte, dat nou ook weer niet. Vergeleken bij de voortdurende douche aan geluiden, informatie en vragen die op werk over me heen komt, klinken één of twee personen die tegen me praten al als doodstil.

In mijn nieuwe werk ga ik me met maar één onderwerp bezighouden. Een garantie voor nooit meer fluitende oren is het niet. Maar dat ik me zal kunnen focussen, is nu al een verademing.

Mar 052015
 

150305

“Ik zie hoe moeilijk het voor mensen is om bekende denkpatronen los te laten en zich over te geven aan nieuwe werkwijzen. Mij geeft het juist energie om nieuwe dingen uit te proberen en eigen te maken. Als trainer wil ik die energie overbrengen. Vandaar deze reactie op de flexature”, schreef ik in mijn sollicitatiebrief. Het sprak de mensen die met mij het sollicitatiegesprek voerden, erg aan. Creativiteit en out-of-the-box denken, is wat ze zochten.

“Het zijn noodzakelijke vaardigheden”, vertel ik even later als mijn borderline ter sprake komt. Want met een cv waarop Poco Loco als eigen bedrijf prijkt, kun ik er natuurlijk niet onderuit om over mijn psychische aandoening te praten. Ben je trouwens helemaal niet verplicht in een sollicitatiegesprek. Maar als het dan ter sprake komt, benoem dan op welke manier het ook juist je kracht is.

“Met een aandoening als borderline, gaat er weinig echt makkelijk”, zeg ik. “Ik zit bijvoorbeeld vrijwel nooit in mijn comfort zone. Ik ben daardoor altijd aan het omdenken.”

Aan het omdenken, beren op de weg afleiden, oplossingen verzinnen en uit valkuilen omhoog klimmen is wat ik voortdurend doe. Het ergert me soms mateloos – maar juist dankzij mijn huidige werk heb ik ontdekt dat het een kracht is. En ben ik er de lol van gaan inzien.

Het is spannend om op 1 april alles los te laten wat me vertrouwd is. Loslaten vind ik niet makkelijk. Tegelijkertijd is loslaten precies het enige waarmee ik het meest vertrouwd ben.