Aug 182014
 

Een tijdje had ik relatief rustige nachten: nachtmerrie-loos lijk ik niet te kunnen slapen, maar impact hadden ze niet. Maar sinds een aantal weken is het weer raak. Ik moet in boten woeste zeeën oversteken, kan mijn kamer niet terugvinden in doolhofachtige huizen of durf niet naar de wc, of mijn kamer of de wc blijkt bezet te zijn door wildvreemden. Er zijn dromen met honden die kwijt raken, weglopen of vals zijn. En alsof het nog niet genoeg was, had ik een nachtmerrie over cavia’s en draaide overdag de jukebox in mijn hoofd voortdurend op volle toeren.

Van die levendige nachtmerries en speciaal cavia-nachtmerries, én een jukebox in mijn hoofd: dan is er iets met mijn grenzen. Ik zit er gevaarlijk dicht tegenaan of ik ben er al te ver overheen – in elk geval moet ik me hoognodig afvragen wat ik eraan ga doen om daar weg te komen.

Dan is het wel handig als duidelijk is waarmee ik aan mijn grens zit – maar dat was niet zo moeilijk. Alleen ga ik er hier en nu niks over zeggen. Het was ook zo gepiept om te bedenken wat ik eraan kan doen.
Maar ken je dat, van die oplossingen die zó voor de hand liggen maar die misschien onbedoelde en heel ongewenste neveneffecten hebben, waardoor ze toch voelen als onmogelijk door te hakken knopen?

Eén van de liedjes die mijn jukebox steeds afspeelt is Nantes van Beirut. Ik hoorde het in de serie Bikkels bij een aflevering over een jongetje dat als enige in zijn gezin geen ziekte had. Hij voelde zich daarom verantwoordelijk voor veel: voor de was, voor het eten, voor zijn vader als die naar het ziekenhuis moest.

Gisteren tijdens het hardlopen was er niks anders dan dat liedje in mijn hoofd en ik liep heerlijk. Totdat ik aan het jongetje dacht, bedacht waarom en hoe ik toch echt een knoop moet doorhakken en van al die gedachtes uit mijn ritme raakte – maar wat een heerlijke helderheid.

(En daar kom ik vast nog wel in minder cryptische bewoordingen op terug.)

Aug 152014
 

140815 Mijn optimistische aard

“De zomer is echt voorbij”, zuchtte K. de afgelopen dagen herhaaldelijk.
Ik wil het niet horen – het is pas half augustus, alles is nog mogelijk. Dat is mijn optimistische aard – hoe vreemd dat misschien ook klinkt uit de mond van iemand met regelmatig nachtmerries, depressiviteit, moodswings, angsten en gevoelens van eenzaamheid. Al weet ik van die aard niet hoe authentiek die is. Misschien heb ik het mezelf wel aangeleerd, is het een overlevingsstrategie. Of misschien is het geen optimisme, maar zit er een pitbull in mij. Een pitbull die zich tot bloedens toe vastbijt en die ondanks momenten van diepe wanhoop, niet meer loslaat tot hij is waar hij wil zijn.

Gaat het om mijn werk, dan voelt mijn optimisme meer als een halsstarrige weigering om op te geven en de pitbull lijkt daar meer op Hond: als ze vindt dat het nodig is (en dat is niet altijd op voor anderen logische momenten) bijt ze van zich af maar ondertussen staan de haren op haar rug angstig recht overeind.
Ja, dat zijn óók eigenschappen die me met heel veel vallen en opstaan brachten waar ik nu ben: in een baan waarin ik zoveel mogelijkheden zie om te doen wat ik kan, waarin ik mijn ei kwijt kan, mijn talenten kan inzetten, me kan ontplooien. Een baan die me zo op het lijf geschreven is en die ik zo leuk vind. Mits er maar wat hekjes hier en daar staan, schreef ik gisteren, anders verdwaal ik.

Terwijl de hekjes ontbreken zijn er talloze muren, zichtbaar en onzichtbaar. De zichtbare kunnen frustrerend zijn, maar ze zijn te omzeilen. Het zijn de onzichtbare muren die zo pijnlijk zijn om tegenaan te lopen, zonder te weten of het mijn eigen muur is of dat iemand anders die bouwde.

Ik wil zó graag. Ik zie zó veel kansen.

En ik ben zó moe.
Maar dat wil ik niet horen.

Aug 142014
 

140814 Waar begin ik met spelen

Ik zou mijn eigen hoofd tekort doen als ik het alleen maar beschreef in termen van chaotisch en druk. Die chaos en drukte zijn vermoeiend en regelmatig meer dan dat – als er in mijn oren een keiharde fluit ontstaat bijvoorbeeld vanwege té veel drukte. Of als ik ’s avonds in bed lig en door té veel chaos en indrukken, stemmen hoor die onsamenhangende dingen zeggen.

Diezelfde chaos en drukte kan ik ook beschrijven als een groot associatief vermogen en sterke verbeeldingskracht – en beiden hebben me ver gebracht. Zonder datzelfde hoofd dat het me zo vaak zo lastig maakt, was er geen blog, geen website, geen Poco Loco. Maar ook geen Hond, niet dit huis, niet mijn grote netwerk op Facebook en Twitter. En ook niet het werk dat ik nu doe.

“Het lijkt mij één van de charmes van jouw functie dat je ‘m helemaal naar je hand kunt zetten”, zei deze week een collega tegen mij. “Je kunt er alle kanten mee uit!”
Voor me lag een vel papier vol aantekeningen over waarom ik dat nu juist niet charmant vind, maar het is waar: het is ideaal om een functie te hebben waarin je zelf mag uitvinden welke taken er wel en niet bij horen en hoe je je talenten inzet. Een grote speeltuin.

Ik hou van speeltuinen. Maar ik hou niet van heel grote speeltuinen. Waar begin ik met spelen? Wat zal ik kiezen? Mag ik echt overal op en in? Hoe raak ik ooit uitgespeeld?
Zoveel mogelijkheden duizelen me, overspoelen me, bedelven me. En dan ga ik maar wat doen, in het wilde weg, zonder na te denken of ik het kan of wil en ben ik binnen de kortste keren uitgeput – of ik ga alleen maar op de schommel, heen en weer, heen en weer, eindeloos.

Imagination will take you everywhere, heeft Einstein blijkbaar gezegd. Maar als niemand me helpt om rondom mijn speeltuin hier en daar een hekje te zetten, brengt my imagination me vooral chaos everywhere.

Aug 112014
 

“En dan klik ik nu altijd dwangmatig vijf keer op clear cache”, laat ik mijn collega zien over het systeem waarmee ik op werk stukjes en andere dingen op intranet zet.

Bijna dwangmatig.

Het is net zo’n verkeerd woordgebruik als wanneer iemand zegt dat hij zich nogal schizofreen voelt wanneer hij bedoelt dat hij in tweestrijd verkeert. Bovendien heeft vijf keer klikken niks met dwangmatigheid te maken en alles met ervaringsdeskundigheid: clear ik de cache niet zoveel keer achter elkaar, dan zie ik (en niemand) mijn tekst niet direct online terug.

Maar ik heb wel wat dwangmatige trekjes. Zo kom ik niet van huis weg om bijvoorbeeld naar werk te gaan als ik niet meerdere keren heb gecontroleerd of de achterdeur op slot is. In het beste geval weet ik het te beperken tot 2 keer. Ik heb periodes waarin ik móet checken of alle apparatuur uit is voordat ik ga slapen – ook alle apparaten die niet eens hebben aan gestaan. Heel onhandig met apparaten die altijd op stand-by staan, tenzij je de stekker eruit trekt. Als ik met de trein weg ga, blijf ik de vertrektijd controleren. Afgelopen zaterdag had ik dat voor het eerst niet, ondanks de spanning die ik voelde. Maar toen had ik al wel dagenlang de vertrektijd van de trein in mijn hoofd herhaald.

Vergeleken bij Mandy mag mijn dwangmatigheid geen naam hebben.

Toch herken ik veel in het filmpje dat Fonds Psychische Gezondheid over haar maakte. De constante vermoeidheid: bij haar vanwege de dwanggedachtes, bij mij vanwege de voortdurende inspanning om mijn emoties en stemmingen te reguleren, om mijn gedachten niet op hol te laten slaan. De eeuwige overtuiging dat ik dingen niet goed genoeg doe, dat ik dom ben, dat ik er eigenlijk niet toe doe. De eenzaamheid.

En ik denk dat Mandy net zo graag als ik, haar eigen cache zou willen kunnen clearen. Gewoon door vijf keer te klikken.

Aug 102014
 

140810 Geen garantie voor de toekomst

Over my dead body – dat was kort samengevat mijn mening over vrijgezellenfeestjes. Die sneue groepjes mannen of vrouwen, vaak verkleed in Tiroler Lederhosen of bunny-pakken, die je, zelden gelukkig kijkend, regelmatig in stadscentra voorbij ziet sloffen: no way dat ik daar ooit iets mee te maken wilde hebben. Ik ben sowieso niet zo heel geschikt voor feesten en/of in groepen: ik voel me er ongeacht het gezelschap niet bij op mijn gemak, ben de hele tijd bezig met het onderdrukken van vluchtneigingen en gedraag me dan juist (te) druk en (te) luidruchtig. Ik zou er bovendien zelf veel moeite mee hebben als ik onvoorbereid een dag op pad moet om iets te doen waarover ik helemaal niks te zeggen heb – wat dus wel eens een goede ervaring voor me zou zijn. Maar vat dat vooral niet op als hint.

Dus toen ik werd gepeild over een vrijgezellenfeestje voor C., reageerde ik niet erg enthousiast. Tuurlijk, iets organiseren voor C. omdat ze gaat trouwen: prima. Maar een vrijgezellenfeestje?! Nou… misschien.
Pas toen ik er nogmaals voor benaderd werd, de groep uit te nodigen feestgangers tot overzichtelijke proporties was geslonken en het duidelijk was dat we overdag (en dus niet ‘s avonds laat) een activiteit zouden gaan doen, stemde ik schoorvoetend toe.

Gisteren was het dan zover en ik kon tientallen redenen bedenken waarom het wél leuk zou worden, maar ik zag er desondanks huizenhoog tegenop. En natuurlijk viel het mee. Het valt bijna altijd mee als je ergens zo enorm tegenop ziet, wat misschien het voordeel is van tegen dingen opzien.
En al voelde ik me niet helemaal op mijn gemak, al deed ik drukker dan ik ben en al praatte ik meer dan prettig was voor mijn nu pijnlijke keel, al schiet mijn stemming nu heen & weer tussen licht hysterische vrolijkheid en huilerige somberheid: het was leuk en gezellig.

Het biedt geen garantie voor de toekomst, maar het is wel weer een overwinning op mezelf erbij.