Jul 042016
 

160704

“Zo”, zegt K. terwijl we een eindje wandelen. “Zomer. Tijd om de balans op te maken.”
“Balans opmaken?” vraag ik. “Wat doe je dan?”
“Ik sta stil bij hoe het gaat”, zegt K. “Of ik heb bereikt wat ik wilde. En ik bedenk wat ik het komende half jaar wil doen. Dat doe ik elk half jaar. In de zomer en met kerst.”

Het is een idee dat me onmiddellijk aanspreekt. En wat bovendien goed past bij de ideeën van Tony Crabbe, wiens boek Nooit meer te druk ik momenteel lees.

Crabbe stelt dat het maken van keuzes je helpt bij het overzichtelijk houden van je leven. Niet zomaar meegaan in wat zich aandient. Want dat is waardoor je al snel het gevoel krijgt dat je van alles moet en nergens aan toe komt – in elk geval niet aan de dingen die jíj echt wilt. En om te doen wat jíj echt wil, is het goed om doelen te stellen. Die hoeven niet SMART te zijn, zegt Crabbe, veel belangrijker is dat ze bijdragen aan jouw kernwaarden.

Is jouw belangrijkste waarde bijvoorbeeld onafhankelijkheid? Of erbij horen? Veiligheid? Of je grenzen verleggen?
Wat je ook doet, zorg dat het ook bijdraagt aan wat voor jou belangrijk is, aan jouw kernwaarden. Misschien heb je het dan nog steeds druk, maar je zult het minder op die manier ervaren. Omdat je dingen doet die er voor jou echt toe doen.

Als ik al verder wandelend mijn balans opmaak, stel ik vast dat ik erg graag mijn eigen gang ga – maar verbinding met mijn directe omgeving mis. En dus meld ik me eenmaal thuis aan bij de plaatselijke hardloopgroep.

En dat hoef ik niet meteen leuk te vinden. Dat zie ik over een half jaar wel weer.

Jun 102016
 

“Kun jij ajb zsm deze documenten op internet plaatsen?” kreeg ik als vraag in m’n mailbox. Inclusief zo’n irritant rood gillende-spoed-uitroepteken.

Ajb, zsm én zo’n uitroepteken: die combinatie heeft een heel verkeerde invloed op mijn stressniveau. Ondanks de vriendelijke toevoeging “Alvast bedankt!”. Ondanks dat ik bedacht dat sommige mensen nou eenmaal altijd alles met zo’n uitroepteken versturen – weten ze waarschijnlijk zelf niet eens. En ondanks dat ik bedacht dat de vertaling van de vraag als volgt luidt: “Wil jij deze documenten op internet plaatsen? Zou fijn zijn als dat lukt voor die-en-die-datum. Alvast bedankt!”

“Bij elke pas ervaar je de gehechtheid, je laat je voet neerkomen; elk moment moet je steun zoeken, je voet voortdurend de grond in duwen om hem weer op te tillen. Je moet elke keer wortel schieten om weer verder te gaan”, las ik over het effect van wandelen in het boek Wandelen, een filosofische gids, geschreven door Frédéric Gros.

Nooit voelde ik me gehecht, laat staan dat iemand zich aan mij gehecht zou hebben. Nooit had ik het gevoel dat ik ergens steun had, altijd kon ik elk moment omvallen. En wortels? Welnee, die had ik niet, dat wist ik zeker, ik hoorde nergens bij. Het is allemaal veranderd sinds ik het afgelopen jaar veel meer dan ooit ben gaan wandelen – ik kan niet anders dan geloven dat het werkt.

Nu alleen nog een olifantenhuid kweken, dacht ik toen ik voelde hoe hard zo’n ongetwijfeld totaal onschuldig bedoeld mailtje binnenkwam.

Totdat ik bedacht dat die gevoeligheid van mij veel vaker wel dan niet waardevol is. En dat er iets heel goed helpt op de moment dat ik mijn gevoeligheid vervloek.

En dat is een stukje wandelen.

(Ik stuurde een mailtje terug nadat ik had gedaan wat me was gevraagd. En kreeg per kerende post een oprecht blij berichtje om me te bedanken. Ook dat kwam binnen. Maar dan positief!)

Mei 302016
 

160530

“Een coach? Wat heb ik nou aan een coach?” mopperde ik tegen K., toen zij me ooit voorstelde eens met een coach te gaan praten. “Wat weet een coach nou wat ik zelf niet ook allang weet? Ik moet het alleen maar dóen!”

Ik worstelde op dat moment met mijn taakinhoud, mijn rol, mijn zichtbaarheid en met mezelf op het werk. Deed ik wel wat ik wilde? Werd wat ik deed wel gezien? Werd eigenlijk wel gezien wat ik allemaal kon? Liet ik wel zien wie ik was? Het leek me een kwestie van gewoon eens de boel goed op een rijtje zetten. Van uitvinden wat ik nou eigenlijk echt wilde. En daarover dan met mijn manager in gesprek gaan.

Alleen: het lukte me maar niet goed, dat op een rijtje zetten. Ik bleef maar in gevecht met mezelf. Als ik nou eens eerst zus, en als ik dan daarna even zo… Ik kwam er niet uit. Ondanks al mijn mitsen en maren over coaches, stuurde ik er toch uiteindelijk eentje een mailtje.

En werd ik dezelfde avond nog teruggebeld.
Ho even, maar dát was niet de bedoeling. Of wel natuurlijk, maar… – maar het werd ineens zo echt.

“Maar het is wel een hoop geld”, sputterde ik na het telefoongesprek tegen K.
“Ja, nouja, dat is dan maar zo”, zei K. “Zie het maar als een investering in jezelf. Van al dat getwijfel en gedoe word je ook niet gelukkiger, toch?”

Lood in mijn schoenen had ik, toen de dag was aangebroken om voor de eerste keer met mijn coach op stap te gaan. En pijn in mijn buik. Een coach! Ik kon het toch zeker allemaal zelf wel? Hoe stom is het om een coach nodig te hebben om op je werk te kunnen zijn wie je bent?
Maar ik ging. Omdat ik toch ook niet helemaal voor niks op het idee was gekomen om dat mailtje te sturen.

En wat was het prettig om een wandeling lang te kunnen sparren over wie ik nou was en wat ik nou wilde. Zonder angst dat dit later tegen me gebruikt zou worden, zonder te hoeven vrezen voor geroddel, zonder dat er een oordeel aan vast zat. Anderhalf uur voor mij alleen. Verfrissend, ontspannend, verrijkend.

Leerzaam, zoals één van mijn coachees het onlangs verwoordde.
“Een aanrader voor iedereen die ondersteuning zoekt!” aldus een andere coachee.

Aarzel je (nog)? Ik snap dat goed. Een coachtraject aangaan is ook nogal een stap. De eerste stap in de richting die jij kiest.

“Ik voelde me heel veilig waardoor ik me kwetsbaar durfde op te stellen; de enige manier om verder te komen denk ik.”

Mei 202016
 
160520

Vlnr: staatssecretaris Jetta Klijnsma, (op de rug gezien) LPGGz-beleidsmedewerker Familiebeleid en Werk & Inkomen Margriet Paalvast en voorzitter GGZ Nederland Jacobine Geel.

Meestal zit ik veel te vroeg bij de tandarts in de wachtkamer. En hoewel ik al jaren geen gaatjes heb gehad en de laatste min of meer ingrijpende behandeling het verwijderen van mijn beugel was, zit ik nooit echt rustig, daar in die wachtkamer. Bang voor de tandarts ben ik niet, en toch is wat mij betreft de tandartspraktijk een plek om zo snel mogelijk weer te verlaten. Want gespannen ben ik altijd wel.

Gisterochtend was ik voor de verandering niet veel te vroeg bij de tandarts. Ik had nog maar nauwelijks mijn jas en regenbroek opgehangen of ik werd al naar binnen geroepen.
En daar, op die stoel, onder die felle lamp, met de nare apparaten om me heen en dat achter een mondkapje verscholen gezicht van eerst de mondhygiëniste en vervolgens de tandarts zelf, daar begint de spanning pas echt. Machteloos bijna ondersteboven hangend in de stoel voel ik me té kwetsbaar. Geen kant kan ik op terwijl er spiegeltjes, schrapertjes, tandsteenkrabbertjes, polijstborsteltjes, watersproeiers en waterwegzuigers in mijn mond worden gestoken. Bang ben ik voor pijn – net als ik zelf, zijn mijn tanden nogal gevoelig.

In de lezing die ik woensdag in museum ’t Dolhuys in Haarlem hield, vergeleek ik het voor je collega’s verbergen van je psychische kwetsbaarheid met een tandartsbezoek.

Ai, als ie maar geen gaatjes ontdekt!
Als ie maar ziet dat je heus goed hebt gepoetst!
Als je maar zonder verdere narigheid weer weg kan! zijn mijn gedachten bij de halfjaarlijkse controle.

Datzelfde nare tandartsgevoel, dezelfde ongewisse angst voel je als je je psychische aandoening geheim houdt.

Ai, als ze maar niks aan me merken!
Als ze maar zien hoe goed ik mijn best doe!
Als ik maar niet door de mand val!
Alleen is dat dan niet alleen maar eens in het half jaar een kwartiertje. Op je werk voel je dat elke dag, voortdurend, in elk contact met collega’s.

Waarschijnlijk staat het allang in mijn dossier, maar toch meld ik bij iedere controle mijn gevoelige gebit.
“Geen punt”, antwoordde de mondhygiëniste gisteren. “Gewoon even je hand opsteken, als het niet meer gaat.”
Ik stak mijn hand niet op. Maar toen ik zonder dat ik het zelf door had toch even verkrampte, gaf ze me uit zichzelf een moment om op adem te komen. Een pauze waar ze zelf dankbaar gebruik van maakte om de hoogte van haar kruk aan te passen.

Precies dat is wat je bereikt als je je collega’s op je werk vertelt wat jij nodig hebt: af en toe een adempauze. En weet je? Daar wordt iederéén beter van.

Mei 162016
 

160516

Spreken in het openbaar, iets zeggen in een vergadering, het woord nemen in een groep of op een feestje met een onbekende een praatje maken: alleen de gedachte eraan al heeft me jarenlang extreme angst bezorgd. Ik en mijn stem laten horen? No way.

Nog steeds voel ik me in genoeg situaties niet voldoende op m’n gemak om zomaar iets te zeggen. Voel ik me zelfs soms te verlegen om me überhaupt onder de mensen te begeven.

“Oeps”, dacht ik afgelopen donderdag dan ook, toen ik bij de locatie aankwam waar ik voor een volle zaal geïnterviewd zou worden. Vanwege het prachtige weer stonden alle aanwezigen van de bijeenkomst buiten, voor de ingang, te kletsen: zie daar maar eens met je rolkoffer vol boeken ongezien tussendoor te piepen. Even overwoog ik serieus om rechtsomkeert te maken.

En toch, hoe spannend ik het ook vond, genoot ik er even later met volle teugen van om mijn verhaal te doen, de reacties van de mensen in de zaal te zien, de zaal aan het lachen te krijgen.

De tips die ik mezelf elke keer weer geef:

  1. Drink, drink, drink. Water dan hè. Smeer je keel, zorg dat je tong niet ineens als een droge lap leer aan je gehemelte geplakt zit en voorkom dat je speech voortijdig eindigt in een nare hoestbui.
  2. Inderdaad, van al dat drinken moet je heel vaak naar de wc. Ideaal. Want waar kun je je beter even terugtrekken en met wat ademhalingsoefeningen tot rust komen? Kun je jezelf en passant mooi even in de spiegel bemoedigend toeknikken.
  3. Zorg dat je je tekst de dagen voorafgaand aan je optreden voortdurend bij je hebt. Misschien kijk je er geen moment naar om, misschien heb je af en toe even tijd ‘m wel door te lezen. Hoe dan ook: het werkt precies zo als voor een examen met je studieboek onder je kussen gaan slapen. Het werkt dus niet, maar het is toch geruststellend.
  4. Lees je tekst meerdere keren hardop voor, luister naar hoe je klinkt, wen aan je stem. En als je dan toch bezig bent, check dan gelijk even hoe lang je verhaal duurt.
  5. Als je eenmaal voor je publiek staat, laat je dan vooral niet afleiden door die ene persoon met die norse blik. Het kan zomaar zijn dat die persoon zelfs nog nors kijkt als ie dolgelukkig is, dus trek het je niet aan.
  6. Geniet van het applaus. Het is voor jou, en je hebt het verdiend. Echt!

Afgelopen zaterdag schreef ik onder de titel “Zonder angst geen moed” in de Poco Loco-nieuwsbrief ook over spreken in het openbaar. De volgende nieuwsbrief komt pas in juli uit, maar je daarvoor aanmelden kan nu al!