Aug 232014
 

140823 Een weekendje Friesland

Ik zou niet meegaan, vandaag, naar Friesland. Ik zou gisteren met een vriendin een middagje Amsterdam doen. Ik zou zaterdag een dagje lekker alleen thuis zijn. Ik zou K. morgen wel ophalen.

Een weekendje Friesland, met 10 volwassenen en 1 baby: mijn schoonfamilie. Een weekendje Friesland heel veel mensen en heel veel geluid en heel veel prikkels. Eén van die prikkels is de schoonfamilie op zich: hun vanzelfsprekende samenzijn, bij elkaar horen, elkaar door en door kennen, onvoorwaardelijk vertrouwen, onvoorwaardelijke liefde.

Een weekendje dus waarvan ik van tevoren weet dat ik voortdurend heen en weer zal zwiepen tussen intens genieten van erbij te mogen horen en intens verdriet omdat dit gevoel van erbij te mogen horen voor mij nooit vanzelfsprekend zal worden. Dat ik altijd zal twijfelen of ik er echt wel toe doe. Dat ik steeds bang ben mensen te verliezen, van me af te duwen, verlaten te worden.

Ik kán het wel een heel weekend aan – maar ik zou dan wel maandag thuis moeten werken of vrij moeten zijn. En dat ging niet. Sterker nog: ik werk bijna de hele dag in plaats van alleen maar de ochtend, zoals ik op maandag gebruikelijk doe.

Vandaar dat ik alleen maar zondag naar Friesland zou gaan.
En vrijdag op pad met een vriendin.

De afspraak met de vriendin cancelde ik – dinsdag was ik al zo moe dat ik inschatte dat ik vrijdag tot niet meer dan bankhangen in staat zou zijn. Vervolgens paniek, omdat twee hele dagen alleen thuis na zo’n week als afgelopen week, met alle chaos in mijn hoofd en emoties van dien, een heel beangstigde gedachte was.

En toen bedacht ik wat ik jaren geleden schreef over een weekendje Friesland.
Sindsdien wilde ik liefst gisteren al weg.

Aug 222014
 

140822 Meer gehuild dan gewerkt

Walvissen, leerde ik in Canada, komen in series van 5 tot 7 keer boven water om adem te halen: dat is wanneer je ze met zo’n sierlijke boog door het water kunt zien glijden. Tussen de series in kunnen ze het uren onder water uithouden en waar ze dan weer boven komen, weet je nooit zeker. Vaak is dat een heel eind verderop.

Als mijn werk de oceaan was en ik een walvis, dan was het mooi geregeld. Mijn werk is op dit moment, en al enkele weken, overweldigend veel en elke keer als ik denk dat er een moment is om adem te halen om daarna verder te kunnen, blijkt dat toch niet zo te zijn. Hoewel ik zoveel mogelijk papierloos werk, groeien de stapels papier op mijn bureau – laatst heb ik alles wanhopig in een bureaula geveegd om er vanaf te zijn, maar dat helpt natuurlijk niet.
Ik probeer in mijn agenda momenten te blokken om de dingen te doen die allang gedaan hadden moeten worden, om notities, beleidsplannen en concepten te lezen die mijn werk de komende tijd zullen bepalen – maar steeds gebeurt er iets onverwachts waardoor ik alles moet aanpassen en las ik nog geen letter.

Ik heb allang geen adem meer, ik watertrappel maar wat en ik kom geen steek vooruit. Integendeel. Ik ga steeds verder kopje onder. Ik verdronk eigenlijk, deze week. Het ging helemaal mis. Ik sliep te weinig. Ik huilde meer dan dat ik werkte. Ik maakte ruzie. Ik was doodmoe. Ik hield me vast aan de Poco Loco-workshop die ik gistermiddag gaf. Bij die boei moest ik zien te komen. Het lukte. De workshop ging bijzonder goed, zelfs. Vaak voel ik door zo’n oppepper weer vaste grond onder mijn voeten. Deze keer niet. Er waren geen andere boeien.

In Doe Even Normaal van afgelopen maandag vergeleek Karlijn borderline met een steeds weer opwellend gevoel van liefdesverdriet. Verscheurdheid, radeloosheid, verlies: ja, dat voel ik inderdaad vaak, en deze week al helemaal. Maar het is niet mijn borderline die deze week mijn emoties bepaalde. Het was mijn werk.

Mijn emoties werden door de borderline wel veel te veel verhevigd. Ze werden er bijna onverdraaglijk door. Erg genoeg gold dat niet alleen voor mezelf. Dat ik anderen meesleep als ik val – dat is wat ik zo haat aan mijn ziekte.


Ziekte, stoornis, aandoening, kwetsbaarheid, beperking, disbalans: al deze woorden en misschien nog wel meer, gebruik ik als ik het heb over ‘iets psychisch’.
In elke Poco Loco-workshop roept het discussie op, een discussie die ook regelmatig oplaait in de media. Veel mensen vinden stoornis een te negatief woord, andere hebben moeite met het woord ziekte. Zelf vind ik dat kwetsbaarheid het beste de lading dekt. Je kunt alleen maar kwetsbaarheid voelen als je ook hebt ervaren wat kracht is.
Maar in weken zoals deze, is mijn ‘psychische iets’ meer dan een kwetsbaarheid. Dan is het een alles verstorende en een mij ernstig beperkende ziekte die totale disbalans veroorzaakt.

Lees over dit onderwerp ook dit artikel van psychiater Menno Oosterhoff.

Aug 182014
 

Een tijdje had ik relatief rustige nachten: nachtmerrie-loos lijk ik niet te kunnen slapen, maar impact hadden ze niet. Maar sinds een aantal weken is het weer raak. Ik moet in boten woeste zeeën oversteken, kan mijn kamer niet terugvinden in doolhofachtige huizen of durf niet naar de wc, of mijn kamer of de wc blijkt bezet te zijn door wildvreemden. Er zijn dromen met honden die kwijt raken, weglopen of vals zijn. En alsof het nog niet genoeg was, had ik een nachtmerrie over cavia’s en draaide overdag de jukebox in mijn hoofd voortdurend op volle toeren.

Van die levendige nachtmerries en speciaal cavia-nachtmerries, én een jukebox in mijn hoofd: dan is er iets met mijn grenzen. Ik zit er gevaarlijk dicht tegenaan of ik ben er al te ver overheen – in elk geval moet ik me hoognodig afvragen wat ik eraan ga doen om daar weg te komen.

Dan is het wel handig als duidelijk is waarmee ik aan mijn grens zit – maar dat was niet zo moeilijk. Alleen ga ik er hier en nu niks over zeggen. Het was ook zo gepiept om te bedenken wat ik eraan kan doen.
Maar ken je dat, van die oplossingen die zó voor de hand liggen maar die misschien onbedoelde en heel ongewenste neveneffecten hebben, waardoor ze toch voelen als onmogelijk door te hakken knopen?

Eén van de liedjes die mijn jukebox steeds afspeelt is Nantes van Beirut. Ik hoorde het in de serie Bikkels bij een aflevering over een jongetje dat als enige in zijn gezin geen ziekte had. Hij voelde zich daarom verantwoordelijk voor veel: voor de was, voor het eten, voor zijn vader als die naar het ziekenhuis moest.

Gisteren tijdens het hardlopen was er niks anders dan dat liedje in mijn hoofd en ik liep heerlijk. Totdat ik aan het jongetje dacht, bedacht waarom en hoe ik toch echt een knoop moet doorhakken en van al die gedachtes uit mijn ritme raakte – maar wat een heerlijke helderheid.

(En daar kom ik vast nog wel in minder cryptische bewoordingen op terug.)

Aug 172014
 

140817 Wees blij als je het niet snapt

Eén van de eerste reacties ooit op mijn blog was tamelijk recht door zee.
“Waarom ben jij niet dood?” was de vraag.
Bam.

Deze week domineerde de zelfdoding van Robin Williams mijn timelines op de sociale media. Analyses, beschouwingen en veel vragen. Hoe kon zo’n begenadigd acteur, zo’n goeie komiek, zo’n succesvolle man, zo’n geslaagd persoon, iemand die zo sympathiek was, voor wie zoveel mensen bewondering hadden – hoe kon zo iemand zo depressief zijn? Hoe kon zo iemand nou toch een einde aan zijn leven willen maken?

Het is een hardnekkig idee dat je stemming recht evenredig opgaat met je succes. Vaak klopt het wel zo’n beetje – maar succes is geen garantie voor geluk.

“Ze willen gewoon graag dat het goed met je gaat”, susten anderen als ik me er kwaad over maakte dat mijn ouders nooit vroegen hoe het écht met ging, terwijl ze wisten dat ik er slecht aan toe was.
“Het gaat zeker wel goed met je hè?” vroegen ze, en dan volgde er zoiets als: nu je bijna vakantie hebt, nu je net vakantie hebt gehad, nu de zon schijnt.
Ontkennen hielp niet.
“Ja ja”, zeiden ze dan, gevolgd door: maar je hebt bijna vakantie, of: maar je gaat toch nog wel eens naar de film? of: maar vanaf volgende week schijnt het weer warmer te worden.

Het zal wel een soort bezweringsformule zijn, net als de verbijstering over de suïcide van Williams.
Het mág niet waar zijn dat er zoveel dingen in je leven goed gaan, en dat je je toch zo depressief voelt. Want als succes en depressiviteit kunnen samengaan bij jou, hoe kunnen anderen er dan ooit zeker van zijn dat het hen nooit overkomt?

Nou, daarvan kun je ook nooit zeker zijn.

En soms kan de dood de enige uitweg lijken. Wees maar ontzettend blij als je dat niet snapt.

  •  Sunday 17 August 2014
  •  Posted by on Sunday 17 August 2014
  •   1 Response
  •  Tagged with:
Aug 152014
 

140815 Mijn optimistische aard

“De zomer is echt voorbij”, zuchtte K. de afgelopen dagen herhaaldelijk.
Ik wil het niet horen – het is pas half augustus, alles is nog mogelijk. Dat is mijn optimistische aard – hoe vreemd dat misschien ook klinkt uit de mond van iemand met regelmatig nachtmerries, depressiviteit, moodswings, angsten en gevoelens van eenzaamheid. Al weet ik van die aard niet hoe authentiek die is. Misschien heb ik het mezelf wel aangeleerd, is het een overlevingsstrategie. Of misschien is het geen optimisme, maar zit er een pitbull in mij. Een pitbull die zich tot bloedens toe vastbijt en die ondanks momenten van diepe wanhoop, niet meer loslaat tot hij is waar hij wil zijn.

Gaat het om mijn werk, dan voelt mijn optimisme meer als een halsstarrige weigering om op te geven en de pitbull lijkt daar meer op Hond: als ze vindt dat het nodig is (en dat is niet altijd op voor anderen logische momenten) bijt ze van zich af maar ondertussen staan de haren op haar rug angstig recht overeind.
Ja, dat zijn óók eigenschappen die me met heel veel vallen en opstaan brachten waar ik nu ben: in een baan waarin ik zoveel mogelijkheden zie om te doen wat ik kan, waarin ik mijn ei kwijt kan, mijn talenten kan inzetten, me kan ontplooien. Een baan die me zo op het lijf geschreven is en die ik zo leuk vind. Mits er maar wat hekjes hier en daar staan, schreef ik gisteren, anders verdwaal ik.

Terwijl de hekjes ontbreken zijn er talloze muren, zichtbaar en onzichtbaar. De zichtbare kunnen frustrerend zijn, maar ze zijn te omzeilen. Het zijn de onzichtbare muren die zo pijnlijk zijn om tegenaan te lopen, zonder te weten of het mijn eigen muur is of dat iemand anders die bouwde.

Ik wil zó graag. Ik zie zó veel kansen.

En ik ben zó moe.
Maar dat wil ik niet horen.