May 222015
 

150522

Ooit stond ik om 7 uur op om om 8:30 uur op mijn werk te zijn. 7 uur werd 6:30 uur, 6:30 uur werd 6:15 uur en uiteindelijk 6:00 uur. En toen het eenmaal 6:00 uur was geworden, had ik nog niet genoeg tijd om mezelf uit mijn bed te plukken en voldoende op te schudden en in vorm te kneden om de dag aan te kunnen. Nooit was ik om 8:30 uur op mijn werk. Altijd later.

Als in slow motion en met onderbrekingen ging altijd alles.
Een intermezzo bovenaan de zoldertrap na het verlaten van de slaapkamer om diep adem te halen voordat ik kopje onder ging in de nieuwe dag.
Een tussenstop op de rand van het bad na het douchen en halverwege het aankleden om een eerste huilbui op te vangen.
Een pauze met mijn hoofd leunend tegen het keukenkastje boven het aanrecht, tijdens het maken van mijn ontbijt, om de levensechte flarden van nachtmerries weg te sturen.
Een time out tijdens het ontbijten, omdat yoghurt met muesli en tranen niet smaakt.
En een pas op de plaats tussen het aantrekken van mijn jas en het pakken van mijn fiets, om mezelf moed in te spreken voor weer een dag met een geforceerde lach.

Sinds een aantal weken voel ik me een stuk beter dan dat ik me de afgelopen anderhalf jaar voelde. Minder gespannen, stabieler, vrolijker, rustiger. En ineens heb ik ‘s ochtends tijd over en ben ik al om 8 uur op mijn werk, in plaats van ruim voorbij 8:30 uur. Gedurende de hele dag heb ik tegenwoordig tijd over, want al die onderbrekingen hinderden me niet alleen ‘s ochtends vroeg.

Ik wist het natuurlijk wel, en toch had ik het me nog niet eerder gerealiseerd. Een psychische aandoening kost heel veel tijd.


Op de foto een tekening van Charles Avery, onderdeel van de tentoonstelling What’s the matter with Idealism in GEM Den Haag

 

May 212015
 

150521“Herkende je wandelcoach je wel?” plaagt K. me als ik thuiskom van de informatiebijeenkomst. Heel raar is K.’s vraag niet: ik zag mijn wandelcoach 5 jaar geleden voor het laatst. Daarna heeft ze talloze andere mensen gecoacht – waarom zou ze mij onthouden hebben?

“De kapper vroeg waarom je niet meer komt”, zei iemand maandag tegen me. Een tijdje hadden we dezelfde kapper, maar nu kom ik er al een half jaar niet meer. Ik ben stomverbaasd dat mijn wegblijven hem is opgevallen.
Dezelfde dag ben ik ‘s middags op de fiets zo in gedachten verzonken dat ik een collega van mijn vorige werkplek straal voorbij fiets. Eenmaal thuis groet ik haar alsnog via een Whatsappje.
“Ik had net vanochtend bedacht om jou eens te appen om te horen hoe je nieuwe functie bevalt!” schrijft ze terug. Huh? Dus iemand denkt weleens zomaar aan mij?
“Hé Marieke!” hoor ik als ik in een drukke winkel rondscharrel. Mijn primaire reactie is om níet op te kijken. Ik weet wel dat ik niet onzichtbaar ben, maar dat ik dus word gezien is geen automatische vervolggedachte. Als ik toch opkijk, zie ik een oud-collega vrolijk naar me lachen. Dat zij na 4 jaar (of is het ondertussen na 6 jaar?) nog weet wie ik ben!

Het zijn pijnlijke confrontaties met mezelf.

Mijn wandelcoach en ik zijn elkaar via Twitter blijven volgen. Maar het is niet daarom dat ik me geen seconde heb afgevraagd of ze me nog zou herkennen. Dat mijn collega’s en mijn kapper me hoorden en zagen, weet ik heus wel. Dat mijn wandelcoach me hoorde en zag, voelde ik – ik denk dat dat het verschil is. Maar helemaal snappen doe ik het niet.

The gap between thinking and feeling. De trui waar die tekst op staat, zit niet lekker meer. Maar waar is het nog altijd.

May 162015
 

150516

“Hennenknieën met spring-over-d’n-heg”, zei mijn moeder als je haar vroeg wat we aten. Ze haatte die vraag – met wat ze kookte, mocht je je niet bemoeien. Ze had ook een hekel aan mijn vaders “Hoe gaat het?” als hij uit zijn werk thuiskwam. Ik herinner het me als een dagelijks terugkerend zeer gespannen moment – nog hou ik mijn adem in als ik er nu aan denk.

Zelf vragen stellen deed mijn moeder ook niet. Nooit vroeg ze hoe mijn dag op school was geweest, mijn vioolles, mijn hockeytraining, mijn paardrijles, hoe mijn proefwerken of examens waren gegaan.
“Je Grote Broer wil niet dat ik ernaar vraag”, verklaarde ze ooit. “Dus.”

Dus begon ik het maar op te schrijven. Ik bestookte mijn moeder met briefjes. Die ze interpreteerde als verzinsels, als pogingen om schrijver te worden. En zo leerde ik niet alleen af om dingen uit te spreken (er moeten hele dagen voorbij zijn gegaan waarop ik alleen tegen mijn cavia of mijn kat sprak), ook verleerde ik het om vragen te stellen.

Tel daar bij op dat ik op de basisschool altijd de rol kreeg van een soort klassen-oudste bij wie de andere kinderen terecht konden als ze vragen hadden, en die zelf geacht werd alles al te weten en te kunnen, en dat ik zodra ik de middelbare school binnenstapte gegijzeld werd door een dodelijke verlegenheid waar ik nooit meer helemaal vanaf gekomen ben – en je snapt dat het stellen van vragen een no go area werd.

En dat terwijl ik nieuwsgierig ben. Dingen wil weten. Graag contact maak. Me wil verbinden met anderen. En de kunst van het vragen stellen nu hard nodig heb om me in te werken in mijn nieuwe functie. Meer en meer heb ik er last van dat het zo onmogelijk lijkt om een zinnen eindigend op een vraagteken te formuleren.

En dus…: tips, anyone?


  • Die hennenknieën kunnen ook hertenknieën zijn geweest. Als kind kon ik het al nooit goed onthouden. En uiteraard durfde ik niet te vragen wat ze nou eigenlijk zei… 😉
  • #dtv staat voor durf te vragen. Wat dan weer een heel andere variant van de kunst van het vragen stellen is.
May 152015
 

150515

De foto hierboven zette ik vanochtend op Facebook en Twitter. En daarbij schreef ik: 3x raden wat ik straks na het ontbijt als eerst doe (hint: het begint met een o en eindigt op pruimen).

Gezien de reacties geloof ik dat het in diverse huishoudens tot hilariteit leidde. Dat geldt hier als keurig netjes opgeruimd, was zo ongeveer het antwoord dat ik terugkreeg.
In mijn verdediging meldde ik dat een deel van de rommel niet op de foto stond: ook op de grond en op de bank lagen nog verschillende stapels.

Wat ook niet op de foto stond, was het effect van al die stapels op mij.

Al die stapels roepen om het hardst om aandacht: een grote herrie is het daardoor in mijn hoofd. Mijn ogen worden voortdurend van het ene naar het andere stapeltje gezogen met als gevolg een gevoel van duizeligheid – alsof ik in hoog tempo van een smalle, eindeloos lange wenteltrap afdaal. Mijn gedachten dwarrelen door elkaar heen en dat leidt tot een onrustig gevoel gevoel in mijn buik en in mijn spieren. Alsof ik overal jeuk heb.
Ik verlies mezelf in al die stapels. Ze versnipperen me.
Die stapels vertegenwoordigen mijn chaos. De chaos die altijd op de loer ligt, klaar om toe te slaan.

Als ik niks aan de stapels doe, kan ik niet denken. Als ik niks aan de stapels doe, zou ik kunnen gaan slaan. En schoppen. En schreeuwen. Als ik niks aan de stapels doe, zou ik alles slopen. Als ik niks aan de stapels doe, heb ik niks onder controle. Als ik niks aan de stapels doe, blijf ik steken, kom ik niet vooruit.

Als ik niks aan de stapels doe, kan ik niet ademen. Als ik niks aan de stapels doe, heb ik geen ruimte om te zijn.

De stapels zijn mijn borderline.

May 112015
 

150511“Hé, het lijkt wel of zij Roots aan heeft!” zeg ik over een presentator op televisie. Roots waren schoenen die, toen ik een jaar of 11 was, immens populair waren. Roots móest je hebben. Wonder boven wonder kreeg ik ze nog ook.

Maar ik had ze niet, roots. Wortels.

Het is één van de grootste dingen, zo niet het allerbelangrijkste, waarmee ik al mijn hele leven worstel. Ik heb nooit het gevoel dat ik ergens bij hoor, dat ik ergens vandaan kom, dat ik grond onder mijn voeten heb, dat ik een basis heb om op terug te vallen en om op verder te bouwen. Alsof ik altijd maar zonder handen fiets, slingerend, terwijl ik met moeite mijn evenwicht bewaar en zonder te weten waar vandaan en waar naar toe.

Laatst trok ik ineens een dichtbundel uit de kast. Tjitske Jansen. Ik sloeg het op een willekeurige bladzijde open en las:

“Er was mos. Het levende bewijs dat je kunt groeien zonder wortels.”


Het gedicht is afkomstig uit de bundel Koerikoeloem van Tjitske Jansen. Uitgeverij Podium, Amsterdam, 2007.

De foto is afkomstig van internet. Roots is een Canadese fabrikant van onder andere schoenen.