Mei 202016
 
160520

Vlnr: staatssecretaris Jetta Klijnsma, (op de rug gezien) LPGGz-beleidsmedewerker Familiebeleid en Werk & Inkomen Margriet Paalvast en voorzitter GGZ Nederland Jacobine Geel.

Meestal zit ik veel te vroeg bij de tandarts in de wachtkamer. En hoewel ik al jaren geen gaatjes heb gehad en de laatste min of meer ingrijpende behandeling het verwijderen van mijn beugel was, zit ik nooit echt rustig, daar in die wachtkamer. Bang voor de tandarts ben ik niet, en toch is wat mij betreft de tandartspraktijk een plek om zo snel mogelijk weer te verlaten. Want gespannen ben ik altijd wel.

Gisterochtend was ik voor de verandering niet veel te vroeg bij de tandarts. Ik had nog maar nauwelijks mijn jas en regenbroek opgehangen of ik werd al naar binnen geroepen.
En daar, op die stoel, onder die felle lamp, met de nare apparaten om me heen en dat achter een mondkapje verscholen gezicht van eerst de mondhygiëniste en vervolgens de tandarts zelf, daar begint de spanning pas echt. Machteloos bijna ondersteboven hangend in de stoel voel ik me té kwetsbaar. Geen kant kan ik op terwijl er spiegeltjes, schrapertjes, tandsteenkrabbertjes, polijstborsteltjes, watersproeiers en waterwegzuigers in mijn mond worden gestoken. Bang ben ik voor pijn – net als ik zelf, zijn mijn tanden nogal gevoelig.

In de lezing die ik woensdag in museum ’t Dolhuys in Haarlem hield, vergeleek ik het voor je collega’s verbergen van je psychische kwetsbaarheid met een tandartsbezoek.

Ai, als ie maar geen gaatjes ontdekt!
Als ie maar ziet dat je heus goed hebt gepoetst!
Als je maar zonder verdere narigheid weer weg kan! zijn mijn gedachten bij de halfjaarlijkse controle.

Datzelfde nare tandartsgevoel, dezelfde ongewisse angst voel je als je je psychische aandoening geheim houdt.

Ai, als ze maar niks aan me merken!
Als ze maar zien hoe goed ik mijn best doe!
Als ik maar niet door de mand val!
Alleen is dat dan niet alleen maar eens in het half jaar een kwartiertje. Op je werk voel je dat elke dag, voortdurend, in elk contact met collega’s.

Waarschijnlijk staat het allang in mijn dossier, maar toch meld ik bij iedere controle mijn gevoelige gebit.
“Geen punt”, antwoordde de mondhygiëniste gisteren. “Gewoon even je hand opsteken, als het niet meer gaat.”
Ik stak mijn hand niet op. Maar toen ik zonder dat ik het zelf door had toch even verkrampte, gaf ze me uit zichzelf een moment om op adem te komen. Een pauze waar ze zelf dankbaar gebruik van maakte om de hoogte van haar kruk aan te passen.

Precies dat is wat je bereikt als je je collega’s op je werk vertelt wat jij nodig hebt: af en toe een adempauze. En weet je? Daar wordt iederéén beter van.

Mei 162016
 

160516

Spreken in het openbaar, iets zeggen in een vergadering, het woord nemen in een groep of op een feestje met een onbekende een praatje maken: alleen de gedachte eraan al heeft me jarenlang extreme angst bezorgd. Ik en mijn stem laten horen? No way.

Nog steeds voel ik me in genoeg situaties niet voldoende op m’n gemak om zomaar iets te zeggen. Voel ik me zelfs soms te verlegen om me überhaupt onder de mensen te begeven.

“Oeps”, dacht ik afgelopen donderdag dan ook, toen ik bij de locatie aankwam waar ik voor een volle zaal geïnterviewd zou worden. Vanwege het prachtige weer stonden alle aanwezigen van de bijeenkomst buiten, voor de ingang, te kletsen: zie daar maar eens met je rolkoffer vol boeken ongezien tussendoor te piepen. Even overwoog ik serieus om rechtsomkeert te maken.

En toch, hoe spannend ik het ook vond, genoot ik er even later met volle teugen van om mijn verhaal te doen, de reacties van de mensen in de zaal te zien, de zaal aan het lachen te krijgen.

De tips die ik mezelf elke keer weer geef:

  1. Drink, drink, drink. Water dan hè. Smeer je keel, zorg dat je tong niet ineens als een droge lap leer aan je gehemelte geplakt zit en voorkom dat je speech voortijdig eindigt in een nare hoestbui.
  2. Inderdaad, van al dat drinken moet je heel vaak naar de wc. Ideaal. Want waar kun je je beter even terugtrekken en met wat ademhalingsoefeningen tot rust komen? Kun je jezelf en passant mooi even in de spiegel bemoedigend toeknikken.
  3. Zorg dat je je tekst de dagen voorafgaand aan je optreden voortdurend bij je hebt. Misschien kijk je er geen moment naar om, misschien heb je af en toe even tijd ‘m wel door te lezen. Hoe dan ook: het werkt precies zo als voor een examen met je studieboek onder je kussen gaan slapen. Het werkt dus niet, maar het is toch geruststellend.
  4. Lees je tekst meerdere keren hardop voor, luister naar hoe je klinkt, wen aan je stem. En als je dan toch bezig bent, check dan gelijk even hoe lang je verhaal duurt.
  5. Als je eenmaal voor je publiek staat, laat je dan vooral niet afleiden door die ene persoon met die norse blik. Het kan zomaar zijn dat die persoon zelfs nog nors kijkt als ie dolgelukkig is, dus trek het je niet aan.
  6. Geniet van het applaus. Het is voor jou, en je hebt het verdiend. Echt!

Afgelopen zaterdag schreef ik onder de titel “Zonder angst geen moed” in de Poco Loco-nieuwsbrief ook over spreken in het openbaar. De volgende nieuwsbrief komt pas in juli uit, maar je daarvoor aanmelden kan nu al!

Mei 092016
 

160609

“Ik ben blij dat je daarmee stopt”, zegt K. als ik vertel dat ik niet langer doorga met mijn ommetjes met Smilla, maar dan zonder Smilla.

Het verdriet om Smilla komt in grotere, zwaardere en meer pijnlijke en overrompelende golven dan ik had verwacht – en dan ik durf toe te geven, want hé, het was ‘maar’ een hond toch? Het is alle hens aan dek om niet af te glijden in voortdurende somberte en vervolgens depressiviteit.

Wat dan helpt, is vasthouden aan mijn gebruikelijke structuur. En laat juist dat nu niet kunnen.

Veertien jaar lang bepaalde Smilla mijn routine. Meer nog dan ik me realiseerde. Zoveel kleine en grote gewoontes zijn met haar weggevallen. De stukjes kiwi die ik Smilla ’s ochtends gaf als ik voor mijn ontbijt mijn yoghurt met kiwi maakte. De dagelijkse ommetjes. Het voortdurend tegen haar kletsen. Het me na werk naar huis haasten. Onze vaste knuffelmomenten. De geluidjes die ze maakte en die me deden glimlachen. Ik mis zelfs die kop van haar die ze elke avond nieuwsgierig in de vaatwasser stak als ik die inruimde, waaraan ik me altijd zo ergerde maar wat ze nooit afleerde.
Hoe het ook met mij ging, er was de hond om voor te zorgen. Hoe ik me ook voelde, er was de hond om een aaitje aan te geven. Wat er ook was, er was de hond om het mee te delen.

Zonder haar voel ik me stil en leeg. Ik voel me onthand en ontheemd.

Omdat ik dat wel een klein beetje verwachtte, nam ik me al lang geleden voor om ook zonder Smilla ’s ochtends een wandelingetje te blijven maken. En dus doe ik dat. Plichtmatig. Dwangmatig, bijna. Hoe ik mijn best ook doe het prettig te vinden: het bevalt me niets. In beweging komen is goed, maar niet door mezelf te dwingen in een patroon dat er niet meer is.
“Dat ochtendommetje doe ik niet meer”, zei ik dus gisteren tegen K.

“We zouden van volgend weekend een weekendje weg kunnen maken”, zei ik gisteren ook tegen K. ’n Spontane inval waarvoor met hond geen ruimte was.

Een beetje grip op mezelf weer hervonden.

Mei 022016
 

160502

“Zeg, een maand geleden zag Smilla’s vacht er toch nog goed uit?”
“Zeg, met Oud & Nieuw kon Smilla toch nog wel traplopen?”
“Zeg, vorige week sleepte Smilla toch niet de hele tijd met haar achterpootjes?”

Talloze gesprekken die met zo’n vraag begonnen, voerden K. en ik de afgelopen weken.
“Stel nu een grens en hou je daaraan”, had de dierenarts gezegd, “want als je dat niet doet, dan blijf je maar doorgaan.”
Door dat advies realiseerden we ons hoe snel Smilla achteruit gegaan was – en hoe snel we gewend raakten aan haar steeds verder beperkte mogelijkheden. We pasten ons aan. En we gingen door.

Zonder het vermogen je aan te passen aan deze voortdurend snel veranderende wereld, zou je niet ver komen. Maar nadenkend over Smilla’s verminderde gezondheid, besefte ik hoe makkelijk – bijna ongemerkt – je ook meegaat in situaties die voor je eigen gezondheid misschien niet heel goed zijn.

Neem bijvoorbeeld de werksituatie. Ik ruilde een maand geleden mijn tijdelijke taken weer in voor mijn vaste functie. Met goede moed, bruisend van energie en vol inspiratie begon ik eraan.
Binnen een week kwam ik sip thuis.
“Ik weet niet of dit wel wat wordt”, mompelde ik tegen K. toen die vroeg wat er was. K. wist het wel: zo snel al teleurgesteld, dat is geen veelbelovende start.
“Stel een grens!” drukte ze me op het hart. “Want je weet wat er gebeurt als je dat niet doet. Dan ga je maar door en word je heel ongelukkig.”
“Maar is zo snel al een grens trekken niet een beetje te vroeg?” antwoordde ik.

Zijn we niet te vroeg?, heette de brochure die de dierenarts ons gaf toen we ondanks het goede advies, toch twijfelde over Smilla’s grens.
Bedenk eens hoe de situatie over een maand is, stond erin. Heb je dan waarde toegevoegd aan het leven van je huisdier? Of heb je dan nog een maand lopen tobben?

Zeg, toen ik als trainer werkte, baalde ik weleens maar was ik toch nooit sip?

Is het te vroeg om qua werk een grens te trekken?
Nee.

Het is precies op tijd.

Apr 292016
 

1604292

“Ik maak me er zorgen over wat er met jou gebeurt als je hond er niet meer zou zijn”, zei een groepsgenoot van de groepspsychotherapie.

Zijn opmerking ergerde me.

Dat mijn hond mijn 24/7-knuffeltherapeut was, mijn kwispelende antidepressivum, mijn altijd beschikbare hela-hola-houd-er-de-moed-maar-in-middel, dat ik er inderdaad hevig aan twijfelde of ik zou kunnen leven zonder mijn maatje Smilla: dat was mijn geheim. Dat mijn groepsgenoot dat zomaar hardop benoemde beviel me niets.

Inmiddels is het een jaar of 6 later. Ergens in die 6 jaar leerde ik mezelf snappen. Ik vond grond onder mijn voeten en rust in mijn hoofd.

En er veranderde meer.

Smilla bleef weliswaar mijn 24/7-knuffeltherapeut, mijn kwispelende antidepressivum en mijn altijd beschikbare hela-hola-houd-er-de-moed-maar-in-middel, maar niet langer geloofde ik dat mijn leven afhankelijk was van haar leven. Ik leerde mijn leven zelf te leven.

Waar Smilla de eerste 7 maanden van haar leven heeft doorgebracht, weten we niet zeker. Behalve dat we haar als Speedy leerde kennen in de Mirakelsteeg in Leiden.
Wat we wel zeker weten is dat ons lieve mirakelhondje het 14 jaar, 2 maanden en 26 dagen heel goed bij ons heeft gehad.

En ik genoot van haar, elke dag – zelfs tijdens de zwartste dagen die er waren.
Van Smilla leerde ik wat vertrouwen is, wat me hechten is, wat verbondenheid is, wat onvoorwaardelijke liefde is.
En niet alleen wat het is. Maar dat het bestaat. En hoe het voelt.

En op dit moment voelt het intens verdrietig.

Want Smilla, geboren op 10 juli 2001, bij ons komen wonen op 2 februari 2002, is ingeslapen op 28 april 2016.