Aug 222016
 
160822

Bron: loesje.nl

Bijna 8 jaar geleden begon ik te bloggen over leven en werken met een psychische aandoening. Hoe hou je jezelf ondanks je kwetsbaarheid overeind in een wereld waarin ‘doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg’ de norm is?

Anno 2016 durf ik te constateren dat ik lang zo kwetsbaar niet meer ben als dat ik destijds was. Leg je me langs de DSM-meetlat, dan kun je waarschijnlijk geen enkele psychiatrische diagnose meer voor me vinden.

Maar hoe gestoord is ondertussen de wereld geworden.
Tot niet zo heel lang geleden buitelde de ene na de andere gedachten door mijn hoofd en schoot ik binnen een dag en soms zelfs binnen een uur van de ene in de andere totaal tegenovergestelde gemoedstoestand. Heerlijk rustig is het nu in mijn hoofd, prachtig stabiel mijn emoties.

Als ik nu mijn Twitter- en Facebook-timeline bekijk, en dat doe ik de laatste tijd liefst zo min mogelijk, dan lijkt het alsof dat chaos veroorzakende borderlinekenmerk zich met allerlei andere symptomen van psychische aandoeningen verplaatst heeft naar de wereld. Er lijken nog maar twee kampen te bestaan, ongeacht het onderwerp: je bent voor, of je bent tegen. Dingen en mensen zijn goed, of dingen en mensen zijn fout. In plaats van een mening te uiten, lijkt het alsof iedereen direct stelling neemt en dat er bovendien maar twee varianten zijn: zwart of wit. Ja of nee. Wel of niet. Eens of oneens. Goed of fout. Iedereen weet alles beter en ik begrijp er niets van.

Je zult maar met vallen en opstaan in de loop der jaren geleerd hebben om dingen van alle kanten te bekijken, rust en afstand te nemen om niet direct in de emotie te schieten, om je altijd aanwezige wantrouwen te vervangen door voorzichtig vertrouwen, om zonder angst open te zijn over wie je bent, om te geloven in je kracht in plaats van voortdurend te denken aan je ‘zwakte’.

Hoe blijf je met je psychische kwetsbaarheid overeind in je leven en je werk, was mijn thema. Maar ik geloof dat ik daarvan beter kan maken: hoe blijf je als nieuwbakken ‘normaal’ persoon overeind in een wereld die wel gek geworden lijkt.

Jul 042016
 

160704

“Zo”, zegt K. terwijl we een eindje wandelen. “Zomer. Tijd om de balans op te maken.”
“Balans opmaken?” vraag ik. “Wat doe je dan?”
“Ik sta stil bij hoe het gaat”, zegt K. “Of ik heb bereikt wat ik wilde. En ik bedenk wat ik het komende half jaar wil doen. Dat doe ik elk half jaar. In de zomer en met kerst.”

Het is een idee dat me onmiddellijk aanspreekt. En wat bovendien goed past bij de ideeën van Tony Crabbe, wiens boek Nooit meer te druk ik momenteel lees.

Crabbe stelt dat het maken van keuzes je helpt bij het overzichtelijk houden van je leven. Niet zomaar meegaan in wat zich aandient. Want dat is waardoor je al snel het gevoel krijgt dat je van alles moet en nergens aan toe komt – in elk geval niet aan de dingen die jíj echt wilt. En om te doen wat jíj echt wil, is het goed om doelen te stellen. Die hoeven niet SMART te zijn, zegt Crabbe, veel belangrijker is dat ze bijdragen aan jouw kernwaarden.

Is jouw belangrijkste waarde bijvoorbeeld onafhankelijkheid? Of erbij horen? Veiligheid? Of je grenzen verleggen?
Wat je ook doet, zorg dat het ook bijdraagt aan wat voor jou belangrijk is, aan jouw kernwaarden. Misschien heb je het dan nog steeds druk, maar je zult het minder op die manier ervaren. Omdat je dingen doet die er voor jou echt toe doen.

Als ik al verder wandelend mijn balans opmaak, stel ik vast dat ik erg graag mijn eigen gang ga – maar verbinding met mijn directe omgeving mis. En dus meld ik me eenmaal thuis aan bij de plaatselijke hardloopgroep.

En dat hoef ik niet meteen leuk te vinden. Dat zie ik over een half jaar wel weer.

Jun 102016
 

“Kun jij ajb zsm deze documenten op internet plaatsen?” kreeg ik als vraag in m’n mailbox. Inclusief zo’n irritant rood gillende-spoed-uitroepteken.

Ajb, zsm én zo’n uitroepteken: die combinatie heeft een heel verkeerde invloed op mijn stressniveau. Ondanks de vriendelijke toevoeging “Alvast bedankt!”. Ondanks dat ik bedacht dat sommige mensen nou eenmaal altijd alles met zo’n uitroepteken versturen – weten ze waarschijnlijk zelf niet eens. En ondanks dat ik bedacht dat de vertaling van de vraag als volgt luidt: “Wil jij deze documenten op internet plaatsen? Zou fijn zijn als dat lukt voor die-en-die-datum. Alvast bedankt!”

“Bij elke pas ervaar je de gehechtheid, je laat je voet neerkomen; elk moment moet je steun zoeken, je voet voortdurend de grond in duwen om hem weer op te tillen. Je moet elke keer wortel schieten om weer verder te gaan”, las ik over het effect van wandelen in het boek Wandelen, een filosofische gids, geschreven door Frédéric Gros.

Nooit voelde ik me gehecht, laat staan dat iemand zich aan mij gehecht zou hebben. Nooit had ik het gevoel dat ik ergens steun had, altijd kon ik elk moment omvallen. En wortels? Welnee, die had ik niet, dat wist ik zeker, ik hoorde nergens bij. Het is allemaal veranderd sinds ik het afgelopen jaar veel meer dan ooit ben gaan wandelen – ik kan niet anders dan geloven dat het werkt.

Nu alleen nog een olifantenhuid kweken, dacht ik toen ik voelde hoe hard zo’n ongetwijfeld totaal onschuldig bedoeld mailtje binnenkwam.

Totdat ik bedacht dat die gevoeligheid van mij veel vaker wel dan niet waardevol is. En dat er iets heel goed helpt op de moment dat ik mijn gevoeligheid vervloek.

En dat is een stukje wandelen.

(Ik stuurde een mailtje terug nadat ik had gedaan wat me was gevraagd. En kreeg per kerende post een oprecht blij berichtje om me te bedanken. Ook dat kwam binnen. Maar dan positief!)

Mei 302016
 

160530

“Een coach? Wat heb ik nou aan een coach?” mopperde ik tegen K., toen zij me ooit voorstelde eens met een coach te gaan praten. “Wat weet een coach nou wat ik zelf niet ook allang weet? Ik moet het alleen maar dóen!”

Ik worstelde op dat moment met mijn taakinhoud, mijn rol, mijn zichtbaarheid en met mezelf op het werk. Deed ik wel wat ik wilde? Werd wat ik deed wel gezien? Werd eigenlijk wel gezien wat ik allemaal kon? Liet ik wel zien wie ik was? Het leek me een kwestie van gewoon eens de boel goed op een rijtje zetten. Van uitvinden wat ik nou eigenlijk echt wilde. En daarover dan met mijn manager in gesprek gaan.

Alleen: het lukte me maar niet goed, dat op een rijtje zetten. Ik bleef maar in gevecht met mezelf. Als ik nou eens eerst zus, en als ik dan daarna even zo… Ik kwam er niet uit. Ondanks al mijn mitsen en maren over coaches, stuurde ik er toch uiteindelijk eentje een mailtje.

En werd ik dezelfde avond nog teruggebeld.
Ho even, maar dát was niet de bedoeling. Of wel natuurlijk, maar… – maar het werd ineens zo echt.

“Maar het is wel een hoop geld”, sputterde ik na het telefoongesprek tegen K.
“Ja, nouja, dat is dan maar zo”, zei K. “Zie het maar als een investering in jezelf. Van al dat getwijfel en gedoe word je ook niet gelukkiger, toch?”

Lood in mijn schoenen had ik, toen de dag was aangebroken om voor de eerste keer met mijn coach op stap te gaan. En pijn in mijn buik. Een coach! Ik kon het toch zeker allemaal zelf wel? Hoe stom is het om een coach nodig te hebben om op je werk te kunnen zijn wie je bent?
Maar ik ging. Omdat ik toch ook niet helemaal voor niks op het idee was gekomen om dat mailtje te sturen.

En wat was het prettig om een wandeling lang te kunnen sparren over wie ik nou was en wat ik nou wilde. Zonder angst dat dit later tegen me gebruikt zou worden, zonder te hoeven vrezen voor geroddel, zonder dat er een oordeel aan vast zat. Anderhalf uur voor mij alleen. Verfrissend, ontspannend, verrijkend.

Leerzaam, zoals één van mijn coachees het onlangs verwoordde.
“Een aanrader voor iedereen die ondersteuning zoekt!” aldus een andere coachee.

Aarzel je (nog)? Ik snap dat goed. Een coachtraject aangaan is ook nogal een stap. De eerste stap in de richting die jij kiest.

“Ik voelde me heel veilig waardoor ik me kwetsbaar durfde op te stellen; de enige manier om verder te komen denk ik.”

Mei 202016
 
160520

Vlnr: staatssecretaris Jetta Klijnsma, (op de rug gezien) LPGGz-beleidsmedewerker Familiebeleid en Werk & Inkomen Margriet Paalvast en voorzitter GGZ Nederland Jacobine Geel.

Meestal zit ik veel te vroeg bij de tandarts in de wachtkamer. En hoewel ik al jaren geen gaatjes heb gehad en de laatste min of meer ingrijpende behandeling het verwijderen van mijn beugel was, zit ik nooit echt rustig, daar in die wachtkamer. Bang voor de tandarts ben ik niet, en toch is wat mij betreft de tandartspraktijk een plek om zo snel mogelijk weer te verlaten. Want gespannen ben ik altijd wel.

Gisterochtend was ik voor de verandering niet veel te vroeg bij de tandarts. Ik had nog maar nauwelijks mijn jas en regenbroek opgehangen of ik werd al naar binnen geroepen.
En daar, op die stoel, onder die felle lamp, met de nare apparaten om me heen en dat achter een mondkapje verscholen gezicht van eerst de mondhygiëniste en vervolgens de tandarts zelf, daar begint de spanning pas echt. Machteloos bijna ondersteboven hangend in de stoel voel ik me té kwetsbaar. Geen kant kan ik op terwijl er spiegeltjes, schrapertjes, tandsteenkrabbertjes, polijstborsteltjes, watersproeiers en waterwegzuigers in mijn mond worden gestoken. Bang ben ik voor pijn – net als ik zelf, zijn mijn tanden nogal gevoelig.

In de lezing die ik woensdag in museum ’t Dolhuys in Haarlem hield, vergeleek ik het voor je collega’s verbergen van je psychische kwetsbaarheid met een tandartsbezoek.

Ai, als ie maar geen gaatjes ontdekt!
Als ie maar ziet dat je heus goed hebt gepoetst!
Als je maar zonder verdere narigheid weer weg kan! zijn mijn gedachten bij de halfjaarlijkse controle.

Datzelfde nare tandartsgevoel, dezelfde ongewisse angst voel je als je je psychische aandoening geheim houdt.

Ai, als ze maar niks aan me merken!
Als ze maar zien hoe goed ik mijn best doe!
Als ik maar niet door de mand val!
Alleen is dat dan niet alleen maar eens in het half jaar een kwartiertje. Op je werk voel je dat elke dag, voortdurend, in elk contact met collega’s.

Waarschijnlijk staat het allang in mijn dossier, maar toch meld ik bij iedere controle mijn gevoelige gebit.
“Geen punt”, antwoordde de mondhygiëniste gisteren. “Gewoon even je hand opsteken, als het niet meer gaat.”
Ik stak mijn hand niet op. Maar toen ik zonder dat ik het zelf door had toch even verkrampte, gaf ze me uit zichzelf een moment om op adem te komen. Een pauze waar ze zelf dankbaar gebruik van maakte om de hoogte van haar kruk aan te passen.

Precies dat is wat je bereikt als je je collega’s op je werk vertelt wat jij nodig hebt: af en toe een adempauze. En weet je? Daar wordt iederéén beter van.