May 112015
 

150511“Hé, het lijkt wel of zij Roots aan heeft!” zeg ik over een presentator op televisie. Roots waren schoenen die, toen ik een jaar of 11 was, immens populair waren. Roots móest je hebben. Wonder boven wonder kreeg ik ze nog ook.

Maar ik had ze niet, roots. Wortels.

Het is één van de grootste dingen, zo niet het allerbelangrijkste, waarmee ik al mijn hele leven worstel. Ik heb nooit het gevoel dat ik ergens bij hoor, dat ik ergens vandaan kom, dat ik grond onder mijn voeten heb, dat ik een basis heb om op terug te vallen en om op verder te bouwen. Alsof ik altijd maar zonder handen fiets, slingerend, terwijl ik met moeite mijn evenwicht bewaar en zonder te weten waar vandaan en waar naar toe.

Laatst trok ik ineens een dichtbundel uit de kast. Tjitske Jansen. Ik sloeg het op een willekeurige bladzijde open en las:

“Er was mos. Het levende bewijs dat je kunt groeien zonder wortels.”


Het gedicht is afkomstig uit de bundel Koerikoeloem van Tjitske Jansen. Uitgeverij Podium, Amsterdam, 2007.

De foto is afkomstig van internet. Roots is een Canadese fabrikant van onder andere schoenen.

May 042015
 

150504

How old do I look? kun je op internet aan how-old.net vragen. Dit weekend hielden allerlei mensen op Twitter en Facebook zich er ineens mee bezig. Triomfantelijk tonen ze foto’s waarop ze volgens de website jonger lijken dan ze zijn. Tja, dat maakt dan toch nieuwsgierig. Hoe oud zie ik er eigenlijk uit?

In mijn hoofd ben ik 32. Al jaren. Ik weet dat ik ouder ben, maar ik weet niet welk gedrag daar bij hoort. Ben ik wel volwassen genoeg? Wanneer ben je eigenlijk volwassen? En waaruit zou dat moeten blijken?
Toen mijn ouders zo oud waren als ik nu ben, waren ze in mijn ogen oude mensen. Ik hoorde ze alleen maar altijd zuchten en vloeken, ze liepen nooit op kousenvoeten, zaten nooit lekker opgekruld in een hoekje van de bank, ze deden nooit iets spontaans, ze aten geen kauwgom of ander snoep, ze moesten nooit hard lachen, ze sportten niet, ze leken nergens van te genieten, ze waren altijd alleen maar bloedserieus.
Ouder worden dan 32 was, in mijn overtuiging, worden zoals mijn ouders waren.

Lang vond ik er niks van, dat ik met de jaren toch ouder dan 32 word. Daarna vond ik het lang niet erg.
Als ik er nu over nadenk, verwart het me. Ik weet niet wat ik ermee aan moet. Ik weet niet of ik het goed doe.
Ik heb het gevoel dat ik zoveel kansen gemist heb, ergens tussen mijn 32e en nu.

Op de eerste foto die ik upload op de site lijk ik 54. Op de volgende 65. Op een andere 56. Op nog een foto vindt de site helemaal geen gezicht. Een keer lijk ik 68. Het dieptepunt is 87 jaar en man.

Ouder worden is stom.
(Maar die site is nog stommer.)

May 022015
 

Toen ik enkele jaren na de dagbehandeling in het psychiatrisch ziekenhuis opnieuw depressief werd, kwam dat door overbelasting. Zowel privé als op werk had ik te veel hooi op mijn vork genomen. Ik schrijf er uitgebreider over in mijn boek-in-wording (met als voorlopige titel Te gek om te werken).

Eén van de dingen die me op werk teveel werden, was het achter elkaar door inwerken van 3 nieuwe collega’s. Hen laten zien hoe ik mijn werk deed, confronteerde me ermee dat ik niet alleen te veel hooi op mijn vork had genomen. Ik had ook nog eens te lang op mijn tenen gelopen om meer dan goed te functioneren. Op die manier probeerde ik mijn ‘psychiatrische achtergrond’ te verbergen.

Het ging mis toen ik een week of twee, drie bezig was met het inwerken van de derde nieuwe collega op rij. Ik kreeg last van paniekerigheid, ik zag boven de weg lila-kleurige borden met onbegrijpelijke opschriften, ik zag in een weiland een konijn die een bril op had met een zwaar, zwart montuur en toen ik op een ochtend wakker werd, had ik geen idee wie K. was en ook niet heel precies waar ik was.

Die derde collega kwam uit Nepal. Uit de buurt van Kathmandu.
De gevolgen van de aardbeving zijn sowieso vreselijk. Door mijn collega kroop het onder mijn huid.

Giro 555.

Apr 292015
 

150429

“Aaargghh!” zucht ik uit de grond van mijn hart als ik om 7:15 uur mijn jas aantrek. “Ik heb zó’n hekel aan de tandarts!”
Verbaasd kijkt K. me aan. “Dat had ik nou nooit van jou verwacht”, zegt ze.
“Ik ben niet bang ofzo, hoor”, leg ik uit. “Maar ik haat het om zo machteloos bijna ondersteboven en met mijn mond wijd open in die stoel te hangen.”

Toch ga ik keurig elk half jaar om door de mondhygiëniste onder handen te worden genomen en voor controle. Ik kan me niet herinneren wanneer er voor het laatst een gaatje gevuld moest worden en het naarste wat ooit moest gebeuren was het trekken van mijn verstandskiezen – en dat stelde eigenlijk niets voor. En toch lijkt met elke halfjaarlijkse afspraak mijn weerstand tegen de tandarts groter te worden.

Eén en al tevredenheid ben ik echter, vink ik aan in het klanttevredenheidsonderzoek dat ik invul, terwijl naast me de draaideur fanatiek blijft ronddraaien. Aan die draaideur heb ik ook een hekel, want hij draait net iets te snel – met name als het even voor 7:30 uur is en je eigenlijk nog tamelijk slaperig bent. Maar over de draaideur stelt het onderzoek me geen vragen. Ook niet over de anonimiteit die ik dan juist weer wel waardeer. Er werken zoveel mondhygiënisten en tandartsen die allemaal hetzelfde gekleed zijn en die ik bovendien vooral met mondkapje voor hun gezicht zie, dat ik geen idee heb of ik ze al eens eerder zag. Geen verplichte social talk terwijl er tegelijkertijd nare gereedschappen aan je tanden wrikken en in je tandvlees prikken.

Alleen maar concentratie op mijn ademhaling. Adem in, adem uit. Ontspan. Adem in, adem uit. Ontspan. Twintig minuten lang.

Om na afloop te constateren dat het ook deze keer weer meeviel.

  •  Wednesday 29 April 2015
  •  Posted by on Wednesday 29 April 2015
  •   No Responses
  •  Tagged with:
Apr 272015
 

150427

Loud, louder, loudest.

Ik verheugde me erop om in Parijs vroeg op te staan zodat ik, voordat iedereen wakker was, in alle rust aan de grote eettafel kon schrijven. Een uur, anderhalf uur, misschien wel twee uur alleen met mezelf.
Meteen de eerste ochtend liep het anders. Wel vroeg en wel schrijven en ook aan de grote eettafel, maar niet in alle rust.
Het gaf niet echt, merkte ik. Ik sloot me af en schreef.
Wat wel gaf was dat het de hele dag opnieuw ter sprake werd gebracht. Mijn moment, bedoeld voor mij alleen, werd van iedereen.

Loud, louder, loudest.

Terwijl stemmen en het gelach over de eettafel heen en weer vliegen en buiten het voortdurende geraas van het verkeer klinkt, vind ik met het kind in het gezelschap rust in een gesprekje tussen ons tweetjes. Totdat ik merk dat het om ons heen stiller geworden is. Alle ogen zijn op ons gericht. Een camera wordt gepakt, foto’s worden gemaakt en alsof we er zelf niet bij zijn, wordt het tafereel van commentaar voorzien. Het kind is slim, weet raad, rent weg, komt terug met tekenpapier, diep buigen we ons erover heen, zacht praten we met elkaar. Klikkerdeklikklikklik, gaat het om ons heen. Het zou me niet verbazen als er minstens 100 foto’s zijn gemaakt. Van ons moment, met z’n tweeën, bedoeld voor ons samen.

Loud, louder, loudest.
Die woorden bonkten in Parijs voortdurend door mijn kop.
Plus het woord privacy.

Die woorden maakten dat ik me vrijdag al afvroeg of ik niet beter weer naar huis kon gaan. Ze maakten dat we zaterdag besloten dat we eerder naar huis zouden gaan.
Ze maakten dat we gisteren al thuiskwamen in plaats van vandaag.

Ik heb de neiging me er schuldig over te voelen. Ondankbaar. En slecht.
Maar dat is onzin.

Ik ben gewoon alleen maar introvert.


Toevallig kwam ik gisteravond via Twitter dit artikel over het verschil tussen introverte en extraverte mensen tegen.