Mei 092016
 

160609

“Ik ben blij dat je daarmee stopt”, zegt K. als ik vertel dat ik niet langer doorga met mijn ommetjes met Smilla, maar dan zonder Smilla.

Het verdriet om Smilla komt in grotere, zwaardere en meer pijnlijke en overrompelende golven dan ik had verwacht – en dan ik durf toe te geven, want hé, het was ‘maar’ een hond toch? Het is alle hens aan dek om niet af te glijden in voortdurende somberte en vervolgens depressiviteit.

Wat dan helpt, is vasthouden aan mijn gebruikelijke structuur. En laat juist dat nu niet kunnen.

Veertien jaar lang bepaalde Smilla mijn routine. Meer nog dan ik me realiseerde. Zoveel kleine en grote gewoontes zijn met haar weggevallen. De stukjes kiwi die ik Smilla ’s ochtends gaf als ik voor mijn ontbijt mijn yoghurt met kiwi maakte. De dagelijkse ommetjes. Het voortdurend tegen haar kletsen. Het me na werk naar huis haasten. Onze vaste knuffelmomenten. De geluidjes die ze maakte en die me deden glimlachen. Ik mis zelfs die kop van haar die ze elke avond nieuwsgierig in de vaatwasser stak als ik die inruimde, waaraan ik me altijd zo ergerde maar wat ze nooit afleerde.
Hoe het ook met mij ging, er was de hond om voor te zorgen. Hoe ik me ook voelde, er was de hond om een aaitje aan te geven. Wat er ook was, er was de hond om het mee te delen.

Zonder haar voel ik me stil en leeg. Ik voel me onthand en ontheemd.

Omdat ik dat wel een klein beetje verwachtte, nam ik me al lang geleden voor om ook zonder Smilla ’s ochtends een wandelingetje te blijven maken. En dus doe ik dat. Plichtmatig. Dwangmatig, bijna. Hoe ik mijn best ook doe het prettig te vinden: het bevalt me niets. In beweging komen is goed, maar niet door mezelf te dwingen in een patroon dat er niet meer is.
“Dat ochtendommetje doe ik niet meer”, zei ik dus gisteren tegen K.

“We zouden van volgend weekend een weekendje weg kunnen maken”, zei ik gisteren ook tegen K. ’n Spontane inval waarvoor met hond geen ruimte was.

Een beetje grip op mezelf weer hervonden.

Mei 022016
 

160502

“Zeg, een maand geleden zag Smilla’s vacht er toch nog goed uit?”
“Zeg, met Oud & Nieuw kon Smilla toch nog wel traplopen?”
“Zeg, vorige week sleepte Smilla toch niet de hele tijd met haar achterpootjes?”

Talloze gesprekken die met zo’n vraag begonnen, voerden K. en ik de afgelopen weken.
“Stel nu een grens en hou je daaraan”, had de dierenarts gezegd, “want als je dat niet doet, dan blijf je maar doorgaan.”
Door dat advies realiseerden we ons hoe snel Smilla achteruit gegaan was – en hoe snel we gewend raakten aan haar steeds verder beperkte mogelijkheden. We pasten ons aan. En we gingen door.

Zonder het vermogen je aan te passen aan deze voortdurend snel veranderende wereld, zou je niet ver komen. Maar nadenkend over Smilla’s verminderde gezondheid, besefte ik hoe makkelijk – bijna ongemerkt – je ook meegaat in situaties die voor je eigen gezondheid misschien niet heel goed zijn.

Neem bijvoorbeeld de werksituatie. Ik ruilde een maand geleden mijn tijdelijke taken weer in voor mijn vaste functie. Met goede moed, bruisend van energie en vol inspiratie begon ik eraan.
Binnen een week kwam ik sip thuis.
“Ik weet niet of dit wel wat wordt”, mompelde ik tegen K. toen die vroeg wat er was. K. wist het wel: zo snel al teleurgesteld, dat is geen veelbelovende start.
“Stel een grens!” drukte ze me op het hart. “Want je weet wat er gebeurt als je dat niet doet. Dan ga je maar door en word je heel ongelukkig.”
“Maar is zo snel al een grens trekken niet een beetje te vroeg?” antwoordde ik.

Zijn we niet te vroeg?, heette de brochure die de dierenarts ons gaf toen we ondanks het goede advies, toch twijfelde over Smilla’s grens.
Bedenk eens hoe de situatie over een maand is, stond erin. Heb je dan waarde toegevoegd aan het leven van je huisdier? Of heb je dan nog een maand lopen tobben?

Zeg, toen ik als trainer werkte, baalde ik weleens maar was ik toch nooit sip?

Is het te vroeg om qua werk een grens te trekken?
Nee.

Het is precies op tijd.

Apr 292016
 

1604292

“Ik maak me er zorgen over wat er met jou gebeurt als je hond er niet meer zou zijn”, zei een groepsgenoot van de groepspsychotherapie.

Zijn opmerking ergerde me.

Dat mijn hond mijn 24/7-knuffeltherapeut was, mijn kwispelende antidepressivum, mijn altijd beschikbare hela-hola-houd-er-de-moed-maar-in-middel, dat ik er inderdaad hevig aan twijfelde of ik zou kunnen leven zonder mijn maatje Smilla: dat was mijn geheim. Dat mijn groepsgenoot dat zomaar hardop benoemde beviel me niets.

Inmiddels is het een jaar of 6 later. Ergens in die 6 jaar leerde ik mezelf snappen. Ik vond grond onder mijn voeten en rust in mijn hoofd.

En er veranderde meer.

Smilla bleef weliswaar mijn 24/7-knuffeltherapeut, mijn kwispelende antidepressivum en mijn altijd beschikbare hela-hola-houd-er-de-moed-maar-in-middel, maar niet langer geloofde ik dat mijn leven afhankelijk was van haar leven. Ik leerde mijn leven zelf te leven.

Waar Smilla de eerste 7 maanden van haar leven heeft doorgebracht, weten we niet zeker. Behalve dat we haar als Speedy leerde kennen in de Mirakelsteeg in Leiden.
Wat we wel zeker weten is dat ons lieve mirakelhondje het 14 jaar, 2 maanden en 26 dagen heel goed bij ons heeft gehad.

En ik genoot van haar, elke dag – zelfs tijdens de zwartste dagen die er waren.
Van Smilla leerde ik wat vertrouwen is, wat me hechten is, wat verbondenheid is, wat onvoorwaardelijke liefde is.
En niet alleen wat het is. Maar dat het bestaat. En hoe het voelt.

En op dit moment voelt het intens verdrietig.

Want Smilla, geboren op 10 juli 2001, bij ons komen wonen op 2 februari 2002, is ingeslapen op 28 april 2016.

Feb 262016
 

160226“Zichtbaarheid”, heb ik getypt als antwoord op de vraag wat mijn leerpunt is. Het is weer tijd voor het personeelsgesprek en behalve te behalen resultaten en opleidingswensen, moet ik aangeven wat mijn leerpunten zijn dit jaar.

Dit jaar: waarin ik terugkeer naar mijn eigenlijke functie. Komende week al voor een dag per week, en vanaf april helemaal. Lang zag ik er als een berg tegenop. Allerlei positieve ontwikkelingen maken dat ik er inmiddels zin in heb. Veel zin. Maar naarmate de terugkeer dichterbij komt, word ik me ook steeds bewuster van een sluimerende, altijd aanwezige angst. De angst voor onzichtbaarheid.

Angst voor onzichtbaarheid, het gevoel niet gezien te worden, in combinatie met verlegenheid: het is een rampzalig trio. Juist in mijn eigenlijke functie zat ik daardoor regelmatig vastgeplakt aan mijn bureaustoel terwijl ik me eigenlijk onder collega’s zou moeten begeven, feedback zou moeten vragen, informatie zou moeten vergaren, ideeën zou moeten delen, aanwezig, aanspreekbaar, herkenbaar, zichtbaar zou moeten zijn. Ik durf me eigenlijk nauwelijks zichtbaar te maken terwijl mijn angst voor onzichtbaarheid groot is: een ingewikkelde belemmering waarover ik voortdurend pijnlijk hard struikelde.

Dus toen ik tijdelijk als trainer aan de slag ging, was mezelf zichtbaar maken de opdracht die ik voor mezelf had. Me niet terugtrekken, letterlijk mijn stem laten horen door vragen te stellen en ervaringen te delen – het viel niet mee, maar het deed me wel goed. Ik heb veel geleerd. Mijn zelfvertrouwen is gegroeid. Stiekem ben ik nog steeds verlegen, maar ik ben zichtbaar en dat mag ik zijn.

En dan toch nu die angst.

“Zichtbaarheid”, typ ik dus als antwoord op de vraag wat mijn leerpunt is.
Op de vraag hoe mijn leidinggevende me daarbij kan helpen, weet ik het antwoord nog niet. Wél wat ik zelf kan doen.
“Wat doe je deze week om zichtbaar te zijn?” zet ik als wekelijkse herinnering in mijn telefoon.


In mijn boek Werken als een gek kun je meer lezen over mijn strijd met (on)zichtbaarheid.
Benieuwd?
Het boek is te koop in de boekhandel en via bol.com en managementboek.nl. Wil je een gesigneerd exemplaar? Bestel het dan hier!

Feb 082016
 

Wat moedig wat je doet.
Wat dapper.
Je bent een pionier –
zijn vooral de reacties op mijn openheid over mijn psychische aandoening.

Maar:
zo moedig en zo dapper ben ik eigenlijk niet.
En een pionier wil ik helemaal niet zijn.

Ik wil alleen maar mezelf kunnen zijn.

“Als de minister jou je boek heeft overhandigd, kun je eventueel iets zeggen”, had mijn uitgever me gezegd over de lancering van Werken als een gek op het Depressiegala. Het liep anders, want Anita Witzier stelde me een aantal vragen, maar het tekstje hierboven was wat ik voorbereidde.

Toen ik na mijn five minutes of fame op de allerlaatste rij hoog achterin het theater zat, bedacht ik dat het maar goed was ook, dat ik wat ik had voorbereid niet had gezegd. Want het ís dapper en moedig als je geen geheim maakt van je psychische aandoening.

Het ís dapper en moedig, maar ík ben dat niet. En dus kostte het me bakken energie: de interviews, het praatje op de radio, mijn verschijning in Tijd voor MAX, mijn optreden, hoe kort ook, op het Depressiegala, de speech die ik afgelopen woensdag op een bestuurlijke bijeenkomst gaf, zelfs het interview voor de intranetpagina van m’n werk.

Het kostte me energie en gaf me adrenaline-boosts.
En nu weet ik het even allemaal niet meer.

Ik voel me te moe om dapper te zijn. En dus trek ik me terug in een dag thuis werken en zie ik er als een berg tegenop om straks voor een overleg en een lunch de deur uit te gaan.
Ik voel me te dapper om meer dan een beetje af te glijden in somberheid. Maar ik hunker naar mijn zachte dekentje in mijn veilige hoekje op de bank.

Dat is normaal, na zo’n heftige, intensieve periode. Het hoort erbij. Het mag er zijn.

Maar weet je?

Om deze laatste zinnen op te schrijven, om toe te geven dat ik even verre van dapper en moedig ben – daarvoor moest ik nou al mijn dapperheid en moed bij elkaar schrapen.