Mar 092015
 

150309

838 mailtjes heb ik in m’n inbox, vertelt m’n notebook me. Niet allemaal ongelezen, gelukkig: dat zijn er maar 23. In de inbox van mijn website zitten 569 mailtjes (slechts 5 ongelezen) en in de inbox van het gezamenlijke mailadres van K. en mij 150 berichten (0 niet gelezen). En dan heb ik ook nog een postbus van gmail met daarin 856 mails – allemaal gelezen.

Na een jaar erop zwoegen heb ik op werk mijn mailbox eindelijk een klein beetje onder controle. Nieuwsbrieven komen in een apart vak en daar scrol ik een keer per week doorheen, cc’tjes laat ik ook apart bezorgen en ook daar werp ik hooguit één keer per week een blik op. Wie me iets te vragen heeft, moet dat maar rechtstreeks doen. En verder kan ik heel goed weggooien.

Met weggooien heb ik thuis ook geen moeite. Allerlei papieren documenten kan ik lange tijd bewaren en dan gaan ze toch rücksichtslos de papierbak in. Hetzelfde geldt voor kranten en papieren nieuwsbrieven. Kaartjes en persoonlijke brieven gaan niet weg. Die verdwijnen uiteindelijk, via tussenstops op verschillende stapeltjes op verschillende plekken in huis, in een doos op zolder.
Maar gaat het om emailtjes, thuis, in mijn persoonlijke inboxen, dan kan ik het niet, weggooien.

Ondertussen vliegt de enorme hoeveelheid mails me aan. Ik ben het overzicht totaal kwijt. Een gevoel van verlamming overvalt me als ik mijn inboxen open. Steeds vaker vergeet ik te reageren.
Daar moet dus de bezem doorheen.

En dat vind ik doodeng.

Alsof wat erin geschreven is niet meer waar is als ik de berichten verwijder.
Alsof ik met al die mails ook het contact met de afzenders ervan weggooi.
Alsof ik alle banden doorsnijd.
Alsof niemand nog van me zal houden.

Ik weet heus wel dat het rare onzin is. Vertroebeling van mijn gedachten door borderlinerige verlatingsangst.
Maar toch.

*delete*


Love me, love me, love me too
Love me, love me, love me too
Cause I sure as hell love you

Mar 022015
 

150302

“Geloof jij in vorige levens?” vroeg mijn redacteur me zaterdag. Ik had hem net wat dingen verteld die je niet in mijn boek zult kunnen lezen – niet in dít boek, in elk geval. Hoewel ik vrij zeker weet dat ik niet in vorige levens geloof, dacht ik er toch even over na. Hold your horses, heb ik afgelopen week namelijk in vele toonaarden geleerd en niet alleen doordat ik er zelf de mist mee inging. Niet gelijk iets vinden of zeggen en vooral niet direct al te stellig reageren.

Doorzettingsvermogen, heeft mijn redacteur een aantal pagina’s verderop in de kantlijn gekrabbeld. Hardop las ik het voor en grinnikte: “Nou, als ik iets in een vorig leven ben geweest, dan was ik ongetwijfeld een pitbull!”

Doorzettingsvermogen, gedrevenheid, vasthoudendheid: ook uit de gedragsstijlentest die ik deed voor mijn loopbaantraject bleek dat ik die eigenschappen in ruime mate bezit. Er zijn mensen die dat als starheid of als dwingend ervaren – meestal mensen die zich herkennen in mijn pitbullerigheid en met dezelfde stok die ik tussen mijn kaken klem precies de andere kant op willen. Lelijke clashes kan dat geven.

Vandaag bespreek ik voor datzelfde loopbaantraject – dat na vandaag on hold gaat en misschien zelfs niet meer nodig is – de uitslag van een talententest. Ik heb er een lange vragenlijst voor ingevuld. En ik moest aan mensen om mij heen vragen wat ze zien als mijn grootste talent. Doorzettingsvermogen en gedrevenheid, krijg ik terug. En toewijding. Een vriendelijke vertaling van vasthoudendheid, lijkt mij dat.

Nee, ik geloof niet in vorige levens. Ik geloof dat op dit moment in dit leven alles eindelijk bij elkaar komt.

Feb 282015
 

150228“Het zou mooi zijn als we met dat malende hoofd van mij koffiebonen konden malen”, zeg ik tegen K. in een poging om een luchtig grapje te maken over mijn piekerende hoofd. “Konden we er geld mee verdienen.”

We hebben net een eind langs het strand gewandeld – niet alleen omdat het daar mooi weer voor was en als alternatief voor hardlopen waarin we allebei niet heel veel zin hadden, maar ook om mijn hoofd uit de piekermodus te krijgen.

Helemaal gelukt is het niet.

Behalve mijn malende hoofd, probeer ik ook voortdurend door mijn borstkas jagende vlagen paniek in toom te houden.
“Vandaar dat ik weinig zeg”, verklaar ik aan K. “Ik ben bang dat ik gierend ga ademhalen als ik mijn mond opendoe.” Huuuuuu, huuuuuu, huuuuuu, doe ik voor.
“Kun je morgen dan wel op pad?” vraagt K.
“Nou, ik ga liever nergens heen, zeg ik eerlijk. “En juist daarom ga ik wel.” Ik zie uit naar de afleiding die ik daardoor zal hebben en ondertussen probeer ik al te bedenken welk rondje ik zondag kan gaan rennen.

Bewegen, bewegen, bewegen. Het is het enige dat helpt bij niet te stoppen gepieker en gierende paniek.

En ondertussen hoop ik dat ik volgende week ofzo ook geen flauw idee heb waar dit blogje nou eigenlijk over gaat.

Feb 252015
 

150225

Eén van de belangrijkste redenen waarom ik nu dan toch eindelijk eens een boek wilde schrijven, is niet dat ik nou eenmaal mijn hele leven al een boek wil schrijven. Nee, wacht – dat is natuurlijk wel de belangrijkste reden, maar niet de reden om het nú te doen. Ik bedoel, dan zou het toch ook volgend jaar kunnen.

De urgentie zit in mijn handen.

Mijn handen die regelmatig heel erg pijn doen. Al heel lang doen ze dat – ik geloof dat ik 14 jaar was toen er in het ziekenhuis foto’s van zijn gemaakt. Van één hand toen trouwens maar, en van die ene hand van maar één vinger. Ik dacht dat er door volleybal tijdens de gymnastiekles op school misschien iets was gebroken of gescheurd of gekneusd. Maar in het ziekenhuis zagen ze niks wat daarop wees.
“Jeugdreuma misschien”, zeiden ze tegen mijn moeder. En daar bleef het bij. Plus dat de gymnastiekjuf me maar een aanstelster vond.

Met de jaren kwamen er meer pijntjes in meer vingers en in beide handen. Niet al te erg. En niet constant. Tot afgelopen september. Mán. Ik had het kunnen weten van migraine, maar toch wist ik niet dat pijn zó alles kan beïnvloeden. En toen dacht ik: nu kan het nog, een boek schrijven. Straks, binnenkort, ooit heb ik misschien zoveel pijn dat het niet meer kan. Vandaar.

Inmiddels gaat het weer een stuk beter. Zo erg als in september is het niet meer geweest. Niet spontaan in elk geval. Wel als ik veel op m’n laptop werk. En tja, laat ik voor het schrijven van mijn boek nou net veel op mijn laptop werken…

Jeugdreuma, artritis, artrose, RSI, whatever. Pijn is niet fijn. Plus één boek schrijven smaakt naar meer boeken schrijven.

Welkom, toetsenbord ;-)

Feb 172015
 

150217

Het leek me zo heerlijk: om gewoon eens rechttoe rechtaan chagrijnig te zijn. Blóedchagrijnig, bij voorkeur. Geen gedoe met stemmingswisselingen, geen diepe, donkere putten, geen grauwe somberheid, geen wurgende onzekerheid en twijfel, niks van dat alles. Gewoon alleen maar chagrijnig.

En nou was ik gisteren chagrijnig.
Bloedchagrijnig zelfs.
En er was niks heerlijks aan.
Het was alleen maar hoogst irritant.
En ik kon het geeneens op iemand botvieren. Want ik was alleen thuis. En dus was ik zelf de enige die er last van had.

Maar het was wel interessant om eens mee te maken, zo’n chagrijnige bui. Zo vaak komt namelijk dat niet voor, dus doe er je voordeel mee, dacht ik. Iedereen die weleens somber, zwaarmoedig of depressief is geweest heeft weleens gehoord van mensen om hen: je moet gewoon iets leuks gaan doen!
Heb je niks aan als je depressief bent. Dan kun je leuke dingen doen tot je een ons weegt, maar lol beleef je er echt niet aan.

Hoe anders is dat bij chagrijnigheid. Dan kun je dus wel de knop omzetten. Ik zag het zonnetje schijnen en wist: ik kan daar van gaan genieten. Ik zag de lieve snuit van Hond en voelde: ik kan me daardoor laten vertederen. Ik had een lekker stuk stokbrood bij de lunch en bedacht: ik kan daarvan gaan smullen. En ik kon het ook allemaal niet doen.

De hele ochtend bleef ik me ergeren aan mijn eigen chagrijn. En toen had ik er genoeg van. Zonde van mijn dag, van de zon die scheen, van mijn lieve Hond en van een lekkere lunch. Zonde ook van de kans om het nu eens wel zelf te kunnen bepalen.
Ik had een keuze. En ik koos.

Natuurlijk was mijn humeur niet meteen goed. Maar goed was het wel.