Jul 292014
 

140729 Als iemand echt naar je luistert

“Is het genoeg als je aan je werkgever vertelt welke psychische stoornis je hebt?”, werd in de laatste twee Poco Loco-workshops gevraagd. “Of kun je beter uitleggen wat voor jou de stoornis inhoudt, waar jij last van hebt, hoe anderen ermee kunnen omgaan en hoe jij er zelf mee omgaat?”

Gehoord is nog lang niet begrepen, was oorspronkelijk de titel van mijn workshop toen die nog een presentatie was. Iedereen heeft weleens gehoord van de verschillende psychische aandoeningen die er bestaan, maar een diagnose zegt niks over waarvan de persoon erachter nou eigenlijk last heeft.

Momenteel ben ik lichtelijk verslaafd aan de Netflix-serie Orange Is The New Black, een Amerikaanse serie over een vrouwengevangenis.
Volgens een artikel dat ik erover las, is het een serie over allerlei maatschappelijke thema’s: seksualiteit, religie, afkomst, discriminatie, racisme, seksisme – you name it.
“Volgens mij is het vooral een gay-serie”, denkt K.
Volgens mij is OITNB een serie over de zo heel dunne grens tussen gewoon zijn en anders zijn, zonder dat er aan wie anders is een label wordt gehangen, zonder dat er over wie anders is een oordeel wordt geveld.

Dat gevangene Crazy Eyes een psychische aandoening heeft, is duidelijk, maar welke dat is, vertelt het verhaal niet. En dus vraagt OITNB-hoofdpersoon Piper ernaar.
“When I get angry, sometimes I can’t control myself”, antwoordt Crazy Eyes. “And sometimes when I’m real upset, they tie me down like a balloon so I don’t fly away.”
En waarom ben je dan altijd aan het dweilen? vraagt Piper zich af.
“Sometimes the feelings inside me go messy like dirt and I like to clean things. And the dirt is my feelings and this floor is my mind. That is called coping.”

En weet je hoe het voelt als iemand echt naar je luistert? Kijk:

Jul 282014
 

140728 Moet je op je werk jezelf kunnen zijn

Op dagen waarop ik me ellendig voel maar wel moet werken, stel ik me altijd voor dat ik mijn schouders omhoog trek met een kledinghangertje en mijn rug recht houd met een bezemsteel – voor het beste effect helpt het om iets aan te trekken waarin ik me een beetje opgeprikt voel. Kleding die ik eenmaal weer thuis onmiddellijk verruil voor een makkelijke spijkerbroek en een verwassen shirtje of slobbertrui. De denkbeeldige kledinghanger en bezemsteel smijt ik in een hoek; mijn schouders, ogen, mondhoeken en ikzelf mogen weer hangen.

Iedereen speelt voortdurend allerlei rollen. Ik ben onder andere partner, werknemer, baasje van Hond, buurvrouw, workshop-gever, vriendin, hardloper – rollen die soms door elkaar lopen, bijvoorbeeld als ik op werk een collega spreek die ook een vriendin is. Rollen waarin ik altijd mezelf en mijn psychische kwetsbaarheid meeneem. Zowel op werk als thuis kan mijn stemming omslaan als het blad aan een boom, maar thuis zal dat zichtbaarder en voelbaarder zijn dan op werk: er gelden op werk nou eenmaal wat normen en waarden die van alles met professionaliteit te maken hebben en dus trek ik mezelf daar aan mijn kleerhanger omhoog.

Maar dat ik eerder uit balans ben dan veel collega’s is een feit. Net zoals veel oudere werknemers minder makkelijk nieuwe dingen leren dan jongere mensen, zoals moslim-collega’s Suikerfeest vieren en ik niet, zoals ouders in hun werktijden vaak rekening houden met de schooltijden van hun kinderen.

“Moet je op je werk jezelf kunnen zijn?” is één van de vragen die ik de deelnemers aan de Poco Loco-workshop stel. Zonder uitzondering zijn er twee antwoord-varianten: mensen die volmondig vinden dat je op je werk helemaal jezelf moet kunnen zijn, en mensen die zeggen dat ze een werk-ik en een thuis-ik hebben.

Ik denk dat allebei waar is.

Jun 262014
 

140626 Stappen tijdens de lunch

“Het lastigste”, zei ik tegen een collega, “vind ik het om op mezelf te letten als het goed gaat.”

Als alle alarmbellen rinkelen, is het wel duidelijk dat je een stapje (of tien) terug moet doen. Maar wat als je je lekker voelt?
Van leuke dingen doen, in een flow mijn werk doen en als vanzelf kunnen meebewegen met dat wat de dag van me vraagt geeft energie, maar niet eindeloos. En ook van dingen die energie geven word ik moe, al lijkt dat misschien niet zo omdat die vermoeidheid niets voorstelt bij de intense vermoeidheid die ik op slechte dagen voelt.
Als ik me goed voel, denk ik al snel dat ik de hele wereld aan kan en moet ik mezelf er nadrukkelijk aan herinneren dat er zoiets is als op mijn balans letten. En dus komt het mooi uit dat ik me na de vakantie voornam om op werkdagen tijdens de lunchpauzes een wandelingetje te maken. Niet vanwege de psychische balans trouwens – meer voor de fysieke vorm.

Naar buiten gaan tussen de middag doe ik niet van harte. De directe omgeving van kantoor vind ik niet zo leuk dat ik er voor mijn plezier een ommetje maak. Te voet naar het centrum van de stad leek me altijd te ver. Als ik echt iets nodig had, sprong ik op mijn fiets, racete ik naar desbetreffende winkel en kwam ik gehaast weer terug op werk. Dus duh, pauze – wat heb je daar nou aan? dacht ik.

Ik heb nu pas twee keer een lunchpauzewandeling gemaakt en ontdekte al twee dingen.

  1. Het centrum van de stad is gewoon op loopafstand.
  2. Van lopend op en neer naar de stad kom ik heel ontspannen en verfrist terug op werk.

Voortaan dus dagelijks stappen tijdens de lunch, dan regelmatig heel wat stappen terug.

May 292014
 

140529 De gouden regel

“Wat was vroeger bij jou thuis de gouden regel?” vragen de workshopleiders van de workshop Vitaliteit op de werkvloer. Op de Leidse Kennisdag kunnen mijn collega’s en ik de hele dag allerlei workshops volgen en ik begin de dag hiermee in een theehuisje in een polderpark.

De gouden regel is een nog altijd belemmerende overtuiging die je van huis uit meekreeg en de vraag ernaar knalt er hard in. Voor het antwoord hoef ik niet diep in mijn geheugen te graven -wat zal ik kiezen zonder al teveel van slag te raken? Zo’n dag als deze is heel inspirerend, maar met voortdurend veel mensen om me heen en het moeten overwinnen van drempelvrees bij elke workshop, is het ook zonder pittige vragen al voer voor flinke moodswings. Voor mij dus geen go with the flow, maar me zo terughoudend mogelijk opstellen.

De gouden regel die me het veiligst lijkt om te delen is dat ik nooit goed genoeg was. Niet dat dit ooit is gezegd. Maar er is ook nooit gezegd dat de dingen die ik deed wél goed waren en altijd moest het hoe dan ook nog beter. Wat dit me heeft gekost, is de volgende vraag. Ik schrijf eeuwige twijfel op, wat een aardig understatement is voor het verlies van mijn psychische gezondheid. Gelukkig wordt ook gevraagd wat het me opleverde en ik verras mezelf door te bedenken dat hier mijn doorzettingsvermogen vandaan komt. Het geeft me een boost voor de rest van de dag.

Gisteren kreeg ik een mailtje van mijn vader. Hij vindt het leuk dat mijn brief in NRC stond. En: “Hopelijk ga je met jouw kennis van zaken snel in NRC (of Volkskrant, onze krant) meer je stem laten horen.”

Ongetwijfeld is het lief bedoeld. Maar wéér doe ik het nog niet goed genoeg.

May 262014
 

140526 Heel gewone vragen

“Wat versta jij onder structuur?” vraag ik aan K.
Op de achterkant van een brief tekent K. wat lijnen. Ernaast schrijft ze het woord ‘volgorde’. “Wie doet wat, hoe, waar en wanneer”, licht ze toe. “Dat is waarmee ik structuur associeer.”
“Hm”, doe ik aarzelend. “Dat is dan toch niet helemaal wat ik bedoel als ik zeg dat ik behoefte heb aan structuur.”

Het afgelopen half jaar leek het of mijn psychische kwetsbaarheid me op werk meer dwarszat dan ooit. Ik begreep er niks van en verzon er allerlei theorieën voor – maar welke redenering ik ook bedacht: het was hoe dan ook míjn probleem, door míjn stoornis, en door míjn behoefte aan structuur. Dacht ik.

Maar waaraan ik behoefte heb, is niet alleen het antwoord op de vraag wie wat doet: daarvan maakten mijn collega’s en ik laatst een overzicht en even gaf dat rust, al is het een schrikbarend lange lijst. Hoe en wanneer kan ik ook zo uit mijn mouw schudden – alleen steeds als ik daaraan begin, bekruipt me dat onzekere gevoel, wat soms zelfs een soort paniek wordt: ik weet het niet, ik weet het niet, ik weet het niet! gilt mijn hoofd dan.

Pas anderhalve week geleden wist ik eindelijk wat ik niet weet. Ik weet niet wat ik met mijn werk moet bereiken. Ik weet niet of wat ik doe ertoe doet. Ik denk dat ik doe wat goed is, maar ik weet niet of het werkelijk goed is. Precies de dingen die ik me ook al mijn hele leven over mezelf afvraag. Waardoor ik dacht dat het gewoon mijn eigen eeuwige angst was. Wat me zo onzeker maakte dat ik mezelf begon op te geven. Voor dit werk dan.

Ik ben zó blij dat ik er met mijn collega’s over sprak. Ik blijk heel gewone vragen te hebben. Vragen die zij ook hebben. Vandaag gaan we ze beantwoorden.