Sep 012014
 

140901 Verknipt (93)

Wankelmoedig, zegt mijn Dikke van Dale uit 1992, betekent onzeker van gemoed, zonder vaste wil of zelfvertrouwen: een wankelmoedig mens.
Wankelmoedig, zegt Van Dale anno 2014 via de betekeniszoeker op de website, is aarzelend bij gebrek aan zelfvertrouwen; besluiteloos.

Moedig ben jij, zeggen veel mensen tegen mij, en dapper. Een vechter. Moedig om de workshops die ik geef, dapper om de blogs die ik schrijf, een vechter om al die keren dat ik val en weer opkrabbel.

Ik dacht lang dat ik dat allemaal niet was. Ik was tenslotte een domme koe, een stomme trut en een achterlijke baby. Ik was iemand die haar stem niet mocht laten horen, ik was iemand die letterlijk geen ruimte mocht innemen, ik was iemand die onzichtbaar werd. Ik was iemand wiens leven beheerst werd door angst en die altijd vluchtte.

Vluchten of vechten, dat is wat je doet bij angst. Wat iedereen doet bij angst.

Ik was het zat, altijd maar dat vluchten. Ik kwam er zo nergens mee. Ik werd er zo ongelukkig van. Het voelde zo zwak. Het voelde zo als vroeger. Ik wil geen vroeger meer. Ik ben nu. Ik weet dingen. Ik kan dingen. Ik mag er zijn. Ik ging vechten. Ik werd iemand die altijd vecht. Ik dacht dat vechten het alternatief is vluchten. Het enige alternatief voor vluchten.

Maar nee.
Wankelmoedigheid is het alternatief voor vluchten. En voor vechten.

Niet wankelmoedig zoals Van Dale zegt dat het is. Maar wankelmoedig zoals het woord zelf zegt dat het is: de moed om te wankelen. De moed om bang te zijn. De moed om onzeker te zijn. De moed om niet te weten, niet te kunnen, even niet te zijn.
De moed om eerder beter naar mezelf (en naar anderen) te luisteren. De moed om een stapje terug te doen.

Wankelmoed. Doe mij er maar een onsje meer van.


Dit weekend ben ik aardig opgeknapt van het bijna-doordraaien van afgelopen week. Mijn neiging & mijn grote valkuil is om full speed de draad weer op te pakken: niks geen halve dagen werken zoals eigenlijk mijn oorspronkelijke idee was voordat ik helemaal uitviel. Hupsakee, gewoon weer verder vechten!
Maar met wankelmoedige ogen bekeken, lijken die halve dagen werken me voor nu verstandiger. Dat wordt dus toch maar mijn voorstel bij de bedrijfsarts vanochtend.

Aug 282014
 

140828 Of je nou wel of geen borderline hebt

De laatste keer dat ik een bedrijfsarts zag, was toen ik in november 2013 een korte Poco Loco-presentatie hield in het kader van een nascholing van bedrijfsartsen. Ik zag er toen in één keer een heleboel en voelde me nog lang geschokt door hun vooroordelen over werknemers met psychische aandoeningen.

De belangrijkste vooroordelen kwamen erop neer dat je werknemers met psychische aandoeningen nauwelijks kunt belasten, dat je ze maar beter ergens aan de zijlijn kunt plaatsen met eenvoudige klusjes totdat ze weer in staat zijn hun eigen werk op te pakken, en dat je vooral véél rekening moet houden met hun beperkingen.
Dezelfde gedachtegang kwam ik later tegen bij werkgevers. Eigenlijk is het zo’n beetje wat de hele maatschappij denkt over mensen met psychische aandoeningen en werk.

Terwijl iedereen het erover eens is dat mensen groeien en bloeien als je ze uitdaagt op hun mogelijkheden en talenten, zo moet je dat bij mensen met een psychische aandoening juist niet doen, lijkt de overtuiging. Daar moet je heel omzichtig mee omgaan. Ik schrik daar elke keer weer van.

Al maandenlang probeerde ik me staande te houden op mijn werk. De hoge werkdruk was het minste probleem. Ik kan hard werken. Er waren andere dingen waardoor ik maar niet leek toe te komen aan wat ik goed kan, waarvan ik nog beter ga presteren en waarvan de organisatie beter wordt. Niet de schuld van deze of gene, maar een samenloop van omstandigheden en misverstanden.
Ik dacht hoopte dat ik het wel zou redden. Maar stapel lang genoeg spanning op spanning – op een dag gaat dat mis. Of je nou wel of geen borderline hebt.

Dus nu zit ik thuis. En maakte ik een plannetje om mijn werk gedeeltelijk weer op te kunnen pakken. Kleine, overzichtelijke en nuttige dingen bedacht ik, waar ik goed in ben, waarmee ik affiniteit heb, waar mijn hart sneller van gaat kloppen, en die nu op werk nodig zijn. Juist nu is dat voor mij belangrijk. En fijn voor de organisatie.

De bedrijfsarts die ik morgen zie, was bij de allereerste Poco Loco-workshop die ik ooit gaf. Ik hoop dat ze zich die nog herinnert. Ik hoop dat ze instemt met mijn plannetje. Ik hoop dat ik snel weer kan groeien en bloeien.


  • Mijn Poco Loco-workshops gaan eigenlijk over werkgeluk: wat is belangrijk om goed in je vel te zitten en zo optimaal mogelijk te presteren? Allereerst moet je daarvoor kunnen zijn zoals je bent, is uit onderzoek gebleken, uiteraard wel binnen de professionele context van je werk. Daarnaast heeft Youmeus een aantal factoren benoemd, die met elkaar een ecosysteem vormen. Dit ecosysteem gebruik ik in mijn workshops. Lees hier meer.
  • Snel weer aan het werk, niet meer denken dat werk ‘belastend’ is, kijken naar wat een medewerker wel kan in plaats van niet en luisteren naar wat de medewerker wil en vindt: een wetenschappelijk artikel over waarom en hoe werk een psychisch zieke medewerker beter kan maken.
Aug 222014
 

140822 Meer gehuild dan gewerkt

Walvissen, leerde ik in Canada, komen in series van 5 tot 7 keer boven water om adem te halen: dat is wanneer je ze met zo’n sierlijke boog door het water kunt zien glijden. Tussen de series in kunnen ze het uren onder water uithouden en waar ze dan weer boven komen, weet je nooit zeker. Vaak is dat een heel eind verderop.

Als mijn werk de oceaan was en ik een walvis, dan was het mooi geregeld. Mijn werk is op dit moment, en al enkele weken, overweldigend veel en elke keer als ik denk dat er een moment is om adem te halen om daarna verder te kunnen, blijkt dat toch niet zo te zijn. Hoewel ik zoveel mogelijk papierloos werk, groeien de stapels papier op mijn bureau – laatst heb ik alles wanhopig in een bureaula geveegd om er vanaf te zijn, maar dat helpt natuurlijk niet.
Ik probeer in mijn agenda momenten te blokken om de dingen te doen die allang gedaan hadden moeten worden, om notities, beleidsplannen en concepten te lezen die mijn werk de komende tijd zullen bepalen – maar steeds gebeurt er iets onverwachts waardoor ik alles moet aanpassen en las ik nog geen letter.

Ik heb allang geen adem meer, ik watertrappel maar wat en ik kom geen steek vooruit. Integendeel. Ik ga steeds verder kopje onder. Ik verdronk eigenlijk, deze week. Het ging helemaal mis. Ik sliep te weinig. Ik huilde meer dan dat ik werkte. Ik maakte ruzie. Ik was doodmoe. Ik hield me vast aan de Poco Loco-workshop die ik gistermiddag gaf. Bij die boei moest ik zien te komen. Het lukte. De workshop ging bijzonder goed, zelfs. Vaak voel ik door zo’n oppepper weer vaste grond onder mijn voeten. Deze keer niet. Er waren geen andere boeien.

In Doe Even Normaal van afgelopen maandag vergeleek Karlijn borderline met een steeds weer opwellend gevoel van liefdesverdriet. Verscheurdheid, radeloosheid, verlies: ja, dat voel ik inderdaad vaak, en deze week al helemaal. Maar het is niet mijn borderline die deze week mijn emoties bepaalde. Het was mijn werk.

Mijn emoties werden door de borderline wel veel te veel verhevigd. Ze werden er bijna onverdraaglijk door. Erg genoeg gold dat niet alleen voor mezelf. Dat ik anderen meesleep als ik val – dat is wat ik zo haat aan mijn ziekte.


Ziekte, stoornis, aandoening, kwetsbaarheid, beperking, disbalans: al deze woorden en misschien nog wel meer, gebruik ik als ik het heb over ‘iets psychisch’.
In elke Poco Loco-workshop roept het discussie op, een discussie die ook regelmatig oplaait in de media. Veel mensen vinden stoornis een te negatief woord, andere hebben moeite met het woord ziekte. Zelf vind ik dat kwetsbaarheid het beste de lading dekt. Je kunt alleen maar kwetsbaarheid voelen als je ook hebt ervaren wat kracht is.
Maar in weken zoals deze, is mijn ‘psychische iets’ meer dan een kwetsbaarheid. Dan is het een alles verstorende en een mij ernstig beperkende ziekte die totale disbalans veroorzaakt.

Lees over dit onderwerp ook dit artikel van psychiater Menno Oosterhoff.

Aug 142014
 

140814 Waar begin ik met spelen

Ik zou mijn eigen hoofd tekort doen als ik het alleen maar beschreef in termen van chaotisch en druk. Die chaos en drukte zijn vermoeiend en regelmatig meer dan dat – als er in mijn oren een keiharde fluit ontstaat bijvoorbeeld vanwege té veel drukte. Of als ik ’s avonds in bed lig en door té veel chaos en indrukken, stemmen hoor die onsamenhangende dingen zeggen.

Diezelfde chaos en drukte kan ik ook beschrijven als een groot associatief vermogen en sterke verbeeldingskracht – en beiden hebben me ver gebracht. Zonder datzelfde hoofd dat het me zo vaak zo lastig maakt, was er geen blog, geen website, geen Poco Loco. Maar ook geen Hond, niet dit huis, niet mijn grote netwerk op Facebook en Twitter. En ook niet het werk dat ik nu doe.

“Het lijkt mij één van de charmes van jouw functie dat je ‘m helemaal naar je hand kunt zetten”, zei deze week een collega tegen mij. “Je kunt er alle kanten mee uit!”
Voor me lag een vel papier vol aantekeningen over waarom ik dat nu juist niet charmant vind, maar het is waar: het is ideaal om een functie te hebben waarin je zelf mag uitvinden welke taken er wel en niet bij horen en hoe je je talenten inzet. Een grote speeltuin.

Ik hou van speeltuinen. Maar ik hou niet van heel grote speeltuinen. Waar begin ik met spelen? Wat zal ik kiezen? Mag ik echt overal op en in? Hoe raak ik ooit uitgespeeld?
Zoveel mogelijkheden duizelen me, overspoelen me, bedelven me. En dan ga ik maar wat doen, in het wilde weg, zonder na te denken of ik het kan of wil en ben ik binnen de kortste keren uitgeput – of ik ga alleen maar op de schommel, heen en weer, heen en weer, eindeloos.

Imagination will take you everywhere, heeft Einstein blijkbaar gezegd. Maar als niemand me helpt om rondom mijn speeltuin hier en daar een hekje te zetten, brengt my imagination me vooral chaos everywhere.

Aug 122014
 

140812 Niet zeuren dus

Vandaag ben ik mijn werkdag begonnen op mijn favoriete locatie: in een licht, ruim gebouw met hoge plafonds (of zo lijkt het in elk geval) en grote ramen (die misschien niet eens groter zijn dan die van mijn eigen werkplek), een prettig trappenhuis (al is het van hetzelfde grauwgrijze beton gemaakt als de meeste trappenhuizen) en een open, frisse sfeer. Ik voel me er volkomen op mijn gemak, ook al ken ik er maar enkele collega’s. Het enige nadeel is het kunstwerk dat in het trappenhuis hangt: deels bestaat dat uit gebarsten glas. Ik ben doodsbang voor gebarsten glas – gevalletje trauma. Ik heb mezelf aangeleerd om er langs te lopen zonder er naar te kijken.

Soms denk ik dat het gebouw waarin ik werk misschien niet perse slecht voor me is, maar ook niet bijdraagt aan mijn welbevinden. Iedereen die er net werkt, klaagt over verdwalen en zelf ervaar ik het nog altijd als een doolhof. De gangen zijn smal, buitenlicht komt niet heel ruimschoots binnen, het is gehorig, de lucht is er droog, ik heb het gevoel alsof de plafonds op me drukken en veel kamers, inclusief die van mezelf, maken een gesloten indruk. Met moeite ga ik langs bij collega’s elders in het gebouw en dat ligt niet alleen maar aan mijn geheime verlegenheid.

Maar ik vond het maar blasé om er zo over te denken. Niet zeuren dus en hup, gewoon mijn werk doen.

Toch blijkt het niet raar te zijn dat ik me niet heel comfortabel voel in mijn werkomgeving. De inrichting van je werkplek doet er wel degelijk toe, blijkt uit onderzoek onder zo’n 2000 Amerikaanse werknemers. Het heeft invloed op prestaties, betrokkenheid, productiviteit en samenwerking.

Tja.

En dan nu de vraag: hoe zorg je zelf voor balans als je kantoor dat blijkbaar niet (voldoende) doet?


  •  Lees hier het artikel over de invloed van de inrichting van je werkplek.
  • Het rapport van het Amerikaanse werkplekken-onderzoek  vind je hier.